Uitspraak BRS.25.000227
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4067
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 1 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen om appellanten een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.25.000227
ECLI:NL:RVS:2026:4067
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant 1], [appellant 2], [appellant 3], [appellant 4] en [appellant 5],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 5 februari 2025 in zaak nr. NL24.37099 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 1 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen om appellanten een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 27 augustus 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr A.C.J. Letmaath, advocaat in Uden, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. In de tweede grief betogen appellanten terecht dat het feit dat de rechtbank het geconstateerde gebrek in de ondertekening van het besluit heeft gepasseerd, had moeten leiden tot een proceskostenveroordeling. De rechtbank had aanleiding moeten zien om de minister te veroordelen in de proceskosten, omdat zij dit gebrek heeft gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:701. De grief slaagt.
2. Wat appellanten in de overige grieven hebben aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover zij heeft nagelaten de minister te veroordelen tot vergoeding van de bij appellanten in beroep opgekomen proceskosten. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige. De minister moet de proceskosten die de rechtbank in beroep ten onrechte niet heeft toegekend en de proceskosten voor het indienen van het hogerberoepschrift vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 5 februari 2025 in zaak nr. NL24.37099, voor zover zij heeft nagelaten de minister van Asiel en Migratie te veroordelen tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;
III. bevestigt die uitspraak voor het overige;
IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
363-1143