Uitspraak 202503359/1/R1 en 202503359/2/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4071
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 17 april 2025 heeft de raad van de gemeente Echt-Susteren het bestemmingsplan "Landgoed De Bongerd" vastgesteld. Het plangebied heeft een oppervlakte van bijna 13 hectare en ligt in het zuiden van Echt, tussen de stedelijke bebouwing van Echt aan de noordzijde en de weg naar Ophoven aan de zuidzijde. Aan de west- en oostzijde grenst het plangebied aan agrarische percelen. De gronden van het plangebied liggen gegroepeerd rond de Molenbeek. [partij] is de initiatiefnemer van het plan. Aanleiding voor het plan is het voornemen van [partij] om de agrarische percelen binnen het plangebied om te vormen naar een nieuw agrarisch landgoed met een zogenoemd voedselbos. De gronden hebben met het plan de enkelbestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch - Landgoed" gekregen. [verzoeker] pacht gronden ten zuiden van het plangebied. Hij exploiteert daar een agrarisch bedrijf. Tussen het plangebied en de agrarische percelen die [verzoeker] exploiteert, ligt alleen de weg naar Ophoven. Hij vreest voor beperkingen aan zijn agrarische bedrijfsvoering door de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- RO - Limburg
Toon inhoud
202503359/1/R1 en 202503359/2/R1.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:
[verzoeker], wonend in Echt, gemeente Echt-Susteren,
verzoeker,
en
de raad van de gemeente Echt-Susteren,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 17 april 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Landgoed De Bongerd" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld.
Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[partij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[verzoeker] heeft een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 juni 2026, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. J.C.W. Eekeren, advocaat in Eindhoven, en de raad, vertegenwoordigd door C. Vandewall, zijn verschenen. Verder is ter zitting [partij] als partij gehoord.
Partijen hebben toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 17 november 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plangebied heeft een oppervlakte van bijna 13 hectare en ligt in het zuiden van Echt, tussen de stedelijke bebouwing van Echt aan de noordzijde en de weg naar Ophoven aan de zuidzijde. Aan de west- en oostzijde grenst het plangebied aan agrarische percelen. De gronden van het plangebied liggen gegroepeerd rond de Molenbeek. [partij] is de initiatiefnemer van het plan.
Aanleiding voor het plan is het voornemen van [partij] om de agrarische percelen binnen het plangebied om te vormen naar een nieuw agrarisch landgoed met een zogenoemd voedselbos. De gronden hebben met het plan de enkelbestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch - Landgoed" gekregen. Op grond van artikel 12.1, aanhef, en onder a, van de planregels mogen de gronden met die bestemmingen alleen worden gebruikt overeenkomstig de bestemmingen als de landschappelijke inpassing die is opgenomen in bijlage 1 bij de planregels binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van het plan is gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden. Uit dat landschapsplan blijkt dat het landgoed zal bestaan uit agrarische graslanden en akkers, voedselbossen inclusief notenakkers, een boomgaard, wandelpaden, een bedrijfswoning, een schuur en een kas voor de agrarische activiteiten. Met het plan zijn er ten behoeve van de voorziene bedrijfswoning, schuur en kas, drie bouwvlakken in het plangebied gelegd.
3. [verzoeker] pacht gronden ten zuiden van het plangebied. Hij exploiteert daar een agrarisch bedrijf. Tussen het plangebied en de agrarische percelen die [verzoeker] exploiteert, ligt alleen de weg naar Ophoven. Hij vreest voor beperkingen aan zijn agrarische bedrijfsvoering door de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt.
4. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Toetsingskader
5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De voorzieningenrechter oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Hij beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Bespreking van de gronden van het beroep
Participatie
6. [verzoeker] betoogt dat hij onvoldoende is betrokken bij de voorbereiding van het plan. Hij wijst erop dat er een zogenoemde omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden, maar hij daarvoor niet is benaderd.
6.1. In paragraaf 6.2 van de plantoelichting staat dat er een omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden. Het verslag daarvan is als bijlage 7 bij de plantoelichting opgenomen. De raad heeft toegelicht dat [partij] zelf het initiatief heeft genomen om voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpplan een omgevingsdialoog te organiseren. Het bieden van inspraak, zoals in het kader van de omgevingsdialoog, voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpplan maakt geen deel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Uit de Awb of de Wro en ook niet uit enig ander wettelijk voorschrift volgt in dit geval de verplichting om voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbesluit een participatietraject te doorlopen. Dat [partij] alleen heeft gesproken met de Heemkundevereniging en twee andere families die in de omgeving wonen en niet met [verzoeker], heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Het besluit is verder voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Deze procedure begint bij besluitvorming omtrent een bestemmingsplan met de terinzagelegging van een ontwerpbesluit waarover door eenieder zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht. De raad stelt terecht dat [verzoeker] gedurende de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan een zienswijze kon indienen tegen het ontwerpplan. Daar heeft [verzoeker] geen gebruik van gemaakt. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat [verzoeker] onvoldoende bij de besluitvorming is betrokken.
Het betoog slaagt niet.
Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
7. [verzoeker] betoogt dat het bestemmingsplan onzorgvuldig is voorbereid, omdat de raad er geen rekening mee heeft gehouden dat op de agrarische percelen die hij pacht gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Hij wijst erop dat het met het plan voorziene voedselbos gericht is op duurzame voedselproductie zonder het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Hij vreest daarom voor conflicten als gewasbeschermingsmiddelen die hij gebruikt in het plangebied terechtkomen.
7.1. De voorzieningenrechter overweegt dat de gronden binnen het plangebied een agrarische bestemming hadden en houden. Met het plan wordt binnen het plangebied dus geen voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functie mogelijk maakt. In zoverre ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de door [verzoeker] gepachte percelen. In de vrees van [verzoeker] voor conflicten over dat gebruik ziet de voorzieningenrechter ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre onzorgvuldig is voorbereid. Overigens was het ook onder het vorige plan toegestaan om in het plangebied duurzame landbouw te verrichten zonder het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Verder is het plangebied omringd door agrarische percelen waarop het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is toegestaan. [partij] heeft te kennen gegeven zich daarvan bewust te zijn en daarmee rekening te houden bij zijn bedrijfsvoering.
Het betoog slaagt niet.
Strijd met de Omgevingsverordening Limburg (de Omgevingsverordening)?
8. [verzoeker] betoogt dat het plan in strijd met artikel 12.1, aanhef en onder b, van de Omgevingsverordening is vastgesteld, omdat een onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek als bedoeld in dat artikellid ontbreekt. Daarnaast is volgens hem in strijd met artikel 12.1, aanhef en onder c, van Omgevingsverordening niet beschreven of er binnen de regio Midden-Limburg overeenstemming bestaat over de behoefte aan de bedrijfswoning. Ook stelt [verzoeker] dat in strijd met artikel 12.1, aanhef en onder e, van de Omgevingsverordening niet is gewaarborgd dat de woning binnen vijf jaar na vaststelling van het bestemmingsplan moet zijn gerealiseerd.
Ten slotte betoogt [verzoeker] dat de raad ten onrechte niet aan artikel 12.3 van de Omgevingsverordening heeft getoetst, terwijl het plan volgens hem een nieuwe detailhandelsvestiging mogelijk maakt.
- toepasselijk recht
8.1. De voorzieningenrechter merkt over deze betogen allereerst op dat [verzoeker] blijkbaar veronderstelt dat op deze zaak de Omgevingsverordening Limburg van toepassing is zoals die op het moment van het nemen van het bestreden besluit gold en zoals die ook op dit moment nog geldt. Gelet op wat hierover is overwogen onder 1, is in dit geval echter nog de per 1 januari 2024 vervallen Omgevingsverordening Limburg 2014 van toepassing. Artikel 12.1 van de Omgevingsverordening Limburg komt voor zover hier van belang echter woordelijk overeen met artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Verder vertoont artikel 12.3 van de Omgevingsverordening Limburg grote raakvlakken met artikel 2.4.3 van de Omgevingsverordening Limburg 2014. In verband daarmee zal de voorzieningenrechter hierna beoordelen of wat [verzoeker] aanvoert grond geeft voor het oordeel dat het bestemmingsplan in strijd is met de genoemde artikelen 2.4.2 en 2.4.3 van de Omgevingsverordening Limburg 2014.
- artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening Limburg 2014
8.2. Op grond van artikel 2.4.2, onder b, van de Omgevingsverordening beschrijft de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen dat sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek. Op grond van artikel 2.4.2, onder c, beschrijft de toelichting verder dat er over de realisatie van de woningen overeenstemming bestaat in de regio. Op grond van artikel 2.4.2, onder d, beschrijft de toelichting dat de realisatie van de woningen beoogd is binnen vijf jaar na vaststelling van het ruimtelijk plan.
De voorzieningenrechter ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening is vastgesteld. Het plan voorziet in een bedrijfswoning. In paragraaf 3.2.1 van de plantoelichting heeft de raad beschreven dat het plan voldoet aan artikel 2.4.2., van de Omgevingsverordening. In paragraaf 3.3 van de plantoelichting is de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan woningen in de regio Midden-Limburg beschreven. Ook is daarin de behoefte aan de met het plan voorziene bedrijfswoning beschreven. Daarin staat dat de woning weliswaar niet bijdraagt aan de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte in de regio, maar dat de bedrijfswoning wordt gerealiseerd in het kader van een concrete woonbehoefte van de beheerder van het met het plan voorziene nieuwe landgoed en dat de bedrijfswoning noodzakelijk is voor het beheer en de exploitatie van het landgoed. Verder staat daarin dat de gemeente Echt-Susteren ervoor zorg zal dragen dat het plan wordt opgenomen in de regionale woonmonitor. Over de realisering van de woning binnen vijf jaar is in de plantoelichting beschreven dat de bedrijfswoning binnen vijf jaar wordt gerealiseerd en dat hierover afspraken zijn gemaakt en dat die afspraken zijn vastgelegd in de anterieure exploitatieovereenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente.
Het betoog slaagt niet.
- artikel 2.4.3 van de Omgevingsverordening Limburg 2014
8.3. In artikel 2.4.3, tweede lid, van de Omgevingsverordening staat dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg niet voorziet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor detailhandel aan de bestaande voorraad detailhandel alsmede aan de bestaande planvoorraad detailhandel anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 6.3 van POL2014, het beleidskader werklocaties Midden-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Midden-Limburg, zoals verwoord in de bij de betrokken paragraaf behorende bijlage 2.
8.4. De raad wijst erop dat op grond van artikel 5.1, aanhef en onder f, van de planregels detailhandel uitsluitend als ondergeschikte nevenactiviteit is toegestaan. Volgens hem doet zich in verband daarmee geen strijd met de Omgevingsverordening voor.
8.5. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat het plan zich niet verdraagt met artikel 2.4.3, tweede lid, van de Omgevingsverordening. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in paragraaf 6.3 van het POL2014 over het landelijk gebied het uitgangspunt is opgenomen dat er in het geheel geen nieuwe winkels komen, met uitzondering van kleinschalige boerderijwinkels. Het plan maakt alleen een kleinschalige boerderijwinkel mogelijk en is in zoverre in overeenstemming met het POL2014. Het beleidskader werklocaties Midden-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 zijn uitwerkingen van het POL 2014. De voorzieningenrechter ziet mede in het licht daarvan geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met die documenten.
Het betoog slaagt niet.
Structuurvisie Echt-Susteren 2012-2025 (de Structuurvisie)
9. [verzoeker] betoogt dat het plan niet in overeenstemming is met de Structuurvisie. Uit de Structuurvisie volgt volgens hem dat een nieuw landgoed slechts mag bestaan uit één gebouw met maximaal vier wooneenheden. Ook volgt daaruit volgens hem dat nieuwe landgoederen voor publiek opengesteld moeten worden. In het plan ontbreekt volgens [verzoeker] een regeling daarover.
9.1. In paragraaf 1.3 van de Structuurvisie staat dat de Structuurvisie intern bindend is voor de gemeente en dat de raad deze als uitgangspunt neemt bij het opstellen van bestemmingsplannen. Binnen de kaders van de Structuurvisie bestaat ruimte om maatwerk te leveren, mits dat in lijn is met het gedachtegoed uit en de grondbeginselen van de Structuurvisie. De raad kan gemotiveerd van de Structuurvisie afwijken.
Over nieuwe landgoederen is in de Structuurvisie onder meer opgenomen dat er eisen worden gesteld aan landschappelijke inpassing, toevoeging van natuurwaarden en openstelling ten behoeve van publiek. De voorzieningenrechter stelt vast dat het plan zich niet verzet tegen het openstellen van het landgoed. Bovendien heeft de raad, anders dan [verzoeker] blijkbaar veronderstelt, in artikel 12.1, onder b, van de planregels een bepaling opgenomen over de openstelling van het landgoed.
Over het aantal gebouwen overweegt de voorzieningenrechter dat in de Structuurvisie een definitie staat van "(nieuwe) landgoederen". In die definitie staat onder meer dat een landgoed bestaat uit één gebouw met maximaal vier wooneenheden. Het plan maakt meer dan één gebouw mogelijk: een bedrijfswoning, kas en schuur. De raad heeft toegelicht dat in dit geval, anders dan bij andere landgoederen, niet de woonfunctie leidend is, maar de agrarische functie. Voor de agrarische functie van het landgoed is de raad zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande agrarische bestemming. Volgens de raad zijn de kas en schuur nodig voor de agrarische bedrijfsvoering en zijn kassen bij de reguliere agrarische bestemmingen ook rechtstreeks toegestaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de raad de afwijking van de Structuurvisie op dit punt, gelet op het voorgaande, voldoende heeft gemotiveerd.
Het betoog slaagt niet.
Verkeer
10. [verzoeker] betoogt dat het plan zal leiden tot verkeersoverlast. Hij stelt dat paragraaf 4.8 van de plantoelichting alleen is gebaseerd op de voorziene bedrijfswoning en dat er geen rekening is gehouden met andere functies die planologisch mogelijk worden gemaakt, zoals een boerderijwinkel, een internetwinkel en een 'bed & breakfast'. [verzoeker] acht het onderzoek daarom onvolledig en onvoldoende representatief.
10.1. De raad stelt dat de boerderijwinkel een winkel betreft die gezien de beperkingen die de planregels daaraan stellen niet kan worden gelijkgesteld aan een reguliere detailhandelsvoorziening zoals een supermarkt. In dat verband heeft de raad erop gewezen dat artikel 5.1, aanhef en onder f, van de planregels beperkingen stelt aan de producten die ter plaatse mogen worden verhandeld. Detailhandel is op grond van die bepaling uitsluitend als ondergeschikte nevenactiviteit toegestaan binnen de op basis van de bouwregels van het plan toegestane bebouwing en het verkoopvloeroppervlak mag niet meer bedragen dan 200 m².
Ten aanzien van de internetwinkel geldt dat uitsluitend winkels die behoren tot de in artikel 1.39 van de planregels omschreven categorieën A en B bij recht zijn toegestaan. Winkels van die categorieën hebben geen fysieke bezoekmogelijkheid.
Verder is de bed & breakfast volgens de raad beperkt tot een kleinschalige recreatieve functie voor maximaal vier personen. Dat maximum is gewaarborgd in artikel 5.5.5, aanhef en onder g, van de planregels. De verkeersaantrekkende werking van het landgoed is volgens de raad ook anderszins beperkt en bestaat met name uit verkeer ten behoeve van de bedrijfswoning en kleinschalige leveringen.
10.2. De voorzieningenrechter overweegt dat de in het plan voorziene gebruiksmogelijkheden afgezien van de agrarische hoofdfunctie uitsluitend ondergeschikte nevenfuncties binnen een agrarisch bedrijf zijn en geen zelfstandige functies betreffen. De voorzieningenrechter ziet, mede gelet op het beperkte en ondergeschikte karakter van de nevenfuncties en de waarborgen die in dat opzicht zijn gesteld in de planregels, geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de raad hierover. Dit betekent dat de verkeersgeneratie beperkt moet worden geacht. In het licht hiervan ziet de voorzieningenrechter, ondanks de geringe breedte van de toevoerwegen, geen grond voor het oordeel dat de raad het plan vanwege de te verwachten verkeersbewegingen niet heeft mogen vaststellen.
Het betoog slaagt niet.
Parkeren
11. [verzoeker] betoogt dat het plan zal leiden tot parkeeroverlast. Ook in dit kader wijst hij op de volgens hem ruime gebruiksmogelijkheden van het plan. Volgens [verzoeker] zijn de berekening van de parkeernorm en de inhoud van bijlage 6 alleen gebaseerd op de toevoeging van een bedrijfswoning en is geen rekening gehouden met de andere functies die planologisch zijn toegestaan. Daarnaast stelt [verzoeker] dat parkeervoorzieningen uitsluitend zijn toegestaan op gronden met de bestemming "Agrarisch - Landgoed" en dat de raad expliciet had moeten beoordelen of het realiseren van voldoende parkeerplaatsen, ter ondersteuning van alle planologisch toegestane functies, fysiek en juridisch mogelijk is binnen de contouren van die bestemming. Dit heeft de raad volgens hem in strijd met het in artikel 3:2, van de Awb opgenomen zorgvuldigheidsbeginsel achterwege gelaten. Hij stelt verder dat niet duidelijk is of de in artikel 11.3.1 van de planregels opgenomen bepaling over parkeren, waarin wordt verwezen naar de in bijlage 6 bij de planregels opgenomen parkeernormen, een bouw- of gebruiksregel is.
11.1. In paragraaf 4.8 van de plantoelichting staat dat het plangebied ligt in het buitengebied in een ‘niet stedelijke’ omgeving. Volgens de gemeentelijke parkeerkencijfers wordt voor vrijstaande (bedrijfs)woningen in een niet stedelijke omgeving uitgegaan van een parkeernorm van 2,0 tot 2,8 parkeerplaatsen per woning. De parkeernormen hebben een bepaalde bandbreedte (minimaal en maximaal). De raad is in dit geval aangesloten bij de maximale bandbreedte. Volgens de raad zijn de parkeerkencijfers afgestemd op de verschillende toegestane functies en zal er geen sprake zijn van gelijktijdig volledig gebruik van al die functies. Over de boerderijwinkel heeft de raad toegelicht dat deze functie geen extra parkeerbehoefte genereert waarmee specifiek rekening moet worden gehouden, omdat er maar voor korte tijd op het eigen erf wordt geparkeerd. Ten aanzien van de internetwinkel geldt dat uitsluitend winkels die behoren tot de in artikel 1.39 van de planregels omschreven categorieën A en B bij recht zijn toegestaan, en dat winkels van die categorieën geen fysieke bezoekmogelijkheid hebben en dus ook geen parkeerbehoefte genereren. Ten aanzien van de bed & breakfast functie heeft de raad toegelicht dat bij de agrarische percelen gelet op de grootte daarvan voldoende parkeerruimte is. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding aan deze toelichting te twijfelen. Gelet daarop kan de motivering van de raad over de gehanteerde parkeernorm het standpunt dragen dat er met een realisatie van drie parkeerplaatsen in de parkeerbehoefte van het plan wordt voorzien, ook wanneer de in beperkte mate extra toegestane functies in aanmerking worden genomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad zich verder op het standpunt kunnen stellen dat er binnen het plangebied voldoende ruimte is om aan de parkeerbehoefte invulling te kunnen geven. Overal binnen de bestemming "Agrarisch-Landgoed" mogen immers parkeervoorzieningen worden aangelegd op grond van artikel 5.1, aanhef en onder l, van de planregels. In het licht daarvan was de raad in dit geval niet gehouden specifieke planregels over parkeren op te nemen. Wat [verzoeker] aanvoert over artikel 11.3.1 van de planregels kan daarom geen doel treffen.
Het betoog slaagt niet.
Ontsluitingsweg
12. [verzoeker] betoogt dat mede gezien de toegestane functies op het landgoed, de voorziene nieuwe ontsluitingsweg een aanzienlijke verkeersaantrekkende werking zal hebben. [verzoeker] voorziet een toename in verkeersdrukte bij maximale invulling van het bestemmingsplan en acht het noodzakelijk dat ook de aanvaardbaarheid en verkeersveiligheid van de voorziene ontsluitingsweg wordt onderzocht. Dit heeft de raad nagelaten volgens [verzoeker].
13. Artikel 3.1 van de planregels maakt het realiseren van inritten mogelijk binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden". De raad wijst erop dat de door [verzoeker] bedoelde ontsluitingsweg het beoogde toegangspad tot het agrarisch landgoed betreft. Dit zal geen doorlopende weg zijn, maar een inrit op eigen terrein waarvan alleen bestemmingsverkeer gebruik maakt. De voorzieningenrechter ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de raad om deze reden het plan niet heeft mogen vaststellen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond.
15. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
16. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep ongegrond;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Van Gastel
voorzieningenrechter
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
195-1036