Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202204562/1/R3

Uitspraak 202204562/1/R3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4157
Datum uitspraak
15 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 23 februari 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke het verzoek om handhaving van [partij B] van 5 april 2016 met betrekking tot het herplanten van zeven iepen op de plaats van de gekapte zeven schietwilgen op het perceel [locatie 1] in Tzummarum (het perceel) afgewezen. De VOF exploiteert een loon- en kraanbedrijf en schapenhouderij op het perceel. [appellant sub 3B] woont op het perceel [locatie 2] in Tzummarum. [partij B] woont op het perceel [locatie 3]. Zij hebben verschillende verzoeken om handhaving ingediend, omdat zij overlast ondervinden van verschillende activiteiten op het perceel. Ook verzetten zij zich tegen het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen van sleufsilo's op het perceel, omdat zij vrezen voor een verdere aantasting van hun woon- en leefklimaat.
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202204562/1/R3.
Datum uitspraak: 15 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.       [appellante sub 1] (de VOF), gevestigd in Tzummarum, gemeente Waadhoeke,
2.       het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke,
3.       [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], wonend in Tzummarum, gemeente Waadhoeke,
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 juni 2022 in zaak nrs. 19/3649, 19/3650, 19/3656, 19/3670, 19/3671, 19/3729, 19/3731 en 21/3563 in het geding tussen:

1.       de VOF,
2.       Staatsbosbeheer, gevestigd in Amersfoort,
3.       [partij A], wonend in Tzummarum, gemeente Waadhoeke
4.       [appellant sub 3B],

en

het college.

Procesverloop

[partij A] en [partij B]

Bij besluit van 23 februari 2017 heeft het college het verzoek om handhaving van [partij B] van 5 april 2016 met betrekking tot het herplanten van zeven iepen op de plaats van de gekapte zeven schietwilgen op het perceel [locatie 1] in Tzummarum (het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 8 juni 2018 heeft het college het verzoek om handhaving van [partij B] van 20 februari 2012 met betrekking tot de uitbreiding en verandering van de inrichting op het perceel afgewezen.

Bij besluit van 28 augustus 2018 heeft het college het verzoek om handhaving van [partij B] van 8 augustus 2018 met betrekking tot het gebruik van de gronden ten oosten van het perceel afgewezen.

Bij besluit van 10 september 2019 heeft het college de bezwaren van [partij B] deels gegrond verklaard, de besluiten van 28 december 2016 en 28 augustus 2018 herroepen en de besluiten van 23 februari 2017 en 8 juni 2018 onder een aanvullende motivering gehandhaafd.

Bij besluit van 10 september 2019 heeft het college tevens een last onder dwangsom aan de VOF opgelegd wegens het gebruik van een stuk grond aan de oostzijde van het perceel in strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied 2013".

[partij B] en [appellant sub 3B]

Bij besluit van 28 december 2016 heeft het college aan de VOF een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) verleend ten behoeve van het bouwen van sleufsilo’s op het perceel.

Bij besluit van 12 september 2019 heeft het college aan de VOF een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van sleufsilo's op het perceel.

[appellant sub 3B]

Bij besluit van 26 oktober 2016 heeft het college het de verzoeken om handhaving van [appellant sub 3B] van 8 juni 2016 met betrekking tot het aanwezig zijn en het gebruiken van zeecontainers voor opslag ten behoeve van het loonbedrijf op het perceel en het gebruik van de schapenstal ten behoeve van het loonbedrijf op het perceel afgewezen.

Bij besluit van 27 oktober 2016 heeft het college het verzoek om handhaving van 2 november 2011 van [appellant sub 3B] met betrekking tot de uitbreiding en verandering van de inrichting op het perceel, afgewezen.

Bij besluit van 10 september 2019 heeft het college de bezwaren van [appellant sub 3B] deels gegrond verklaard, het besluit van 28 december 2016 herroepen en de besluiten van 26 oktober 2016 en 27 oktober 2016 onder een aanvullende motivering gehandhaafd.

Bij besluit van 24 september 2021 heeft het college het verzoek om handhaving van 26 maart 2021 van [appellant sub 3B] met betrekking tot het gebruik van het perceel voor bedrijfsactiviteiten die niet passen binnen de bestemming, afgewezen.

Bij uitspraak van 16 juni 2022 heeft de rechtbank, voor zover hier relevant, de beroepen van de VOF tegen de besluiten 10 september 2019 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de beroepen van [appellant sub 3B] en [partij B] tegen de besluiten van 10 september 2019 gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en bepaald dat het college opnieuw moet beslissen op de bezwaren van [appellant sub 3B] en [partij B] met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft verder het besluit van 12 september 2019 vernietigd en het besluit van 28 december 2016 herroepen. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwen van sleufsilo's op het perceel buiten behandeling wordt gesteld.

Tegen deze uitspraak hebben het college en de VOF hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 3B] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college, de VOF, [appellant sub 3B] en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 oktober 2025, waar het college, vertegenwoordigd door O. van der Eems en ir. M. J. Dijkstra, bijgestaan door mr. E.F. van der Goot, advocaat in Leeuwarden en [appellant sub 3B], bijgestaan door mr. S. Maakal, advocaat in Heerenveen, zijn verschenen. Verder is [partij B], vertegenwoordigd door mr. S. Makaal, voornoemd, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.

Inleiding

2.       De VOF exploiteert een loon- en kraanbedrijf en schapenhouderij op het perceel. [appellant sub 3B] woont op het perceel [locatie 2] in Tzummarum. [partij B] woont op het perceel [locatie 3]. Zij hebben verschillende verzoeken om handhaving ingediend, omdat zij overlast ondervinden van verschillende activiteiten op het perceel. Ook verzetten zij zich tegen het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen van sleufsilo's op het perceel, omdat zij vrezen voor een verdere aantasting van hun woon- en leefklimaat.

Relevante wet- en regelgeving

3.       Voor het perceel geldt het bestemmingsplan "Buitengebied 2013". Een strook grond aan de oostkant van het perceel heeft de bestemming "Bos". Op het moment van de uitspraak van de rechtbank was deze in eigendom van Staatsbosbeheer. Op de zitting heeft het college toegelicht dat Staatsbosbeheer de eigendom hiervan op 2 februari 2022 heeft overgedragen aan de VOF. De overige gronden hebben de bestemming "Gemengd - Loon- en kraanverhuurbedrijf en schapenhouderij".

4.       De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Het hoger beroep

Reikwijdte van het geschil

5.       [appellant sub 3B] en [partij B] hebben in een nader stuk aangevoerd dat het college ten onrechte het gebruik van het perceel de [locatie 4]/[locatie 5] in Oosterbierum door de VOF niet in het onderzoek naar de bedrijfsvoering van de VOF heeft betrokken. De Afdeling zal hier niet inhoudelijk op ingegaan, omdat dit de reikwijdte van het geschil te buiten gaat. De verzoeken tot handhaving zien hier namelijk niet op.

Formele aspecten

Ten onrechte ontvankelijk verklaard

6.       De VOF betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college [appellant sub 3B] en [partij B] ten onrechte niet niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun bezwaren tegen de bestreden besluiten. Zij voert hiertoe aan dat alleen maar sprake is van een beperkt belang, omdat gevolgen van enige betekenis voor hen ontbreken. De rechtbank heeft niet verklaard waarom die gevolgen er wel zouden zijn. [partij B] was bovendien al verhuisd.

6.1.    De rechtbank heeft in haar uitspraak onder 3.5 overwogen dat [partij B] en [appellant sub 3B] vanuit hun woningen en de daarbij horende tuinen zicht hebben op het perceel. Verder kan naar het oordeel van de rechtbank niet op voorhand worden geconcludeerd dat de besluiten op bezwaar van 10 september 2019 in verband met de ruimtelijke effecten van het bedrijf en de daarbij behorende bebouwing en ook het gebruik daarvan en vanwege de milieueffecten vanwege de gehele inrichting geen invloed hebben op de directe leefomgeving van [partij B] en [appellant sub 3B]. Ook kan er naar het oordeel van de rechtbank niet geconcludeerd worden dat geen sprake is van gevolgen van enige betekenis. De rechtbank heeft gelet hierop geen aanleiding gezien om tot de conclusie te komen dat [appellant sub 3B] en [partij B] geen belanghebbende zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).

6.2.    In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

6.3.    Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium "gevolgen van enige betekenis" van de activiteit dient als correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

6.4.    Tussen partijen is niet in geschil dat [partij B] en [appellant sub 3B] op het moment van de verschillende bestreden besluiten en de bestreden uitspraak op respectievelijk de [locatie 6], ten oosten van het perceel en de [locatie 2], ten westen van het perceel woonden. [appellant sub 3B] heeft op de zitting toegelicht dat zij sinds de uitspraak van de rechtbank weliswaar is verhuisd, maar naar een perceel ten noordwesten van het perceel van de VOF. Dit heeft het huisnummer [locatie 2] gekregen. Vanaf dat perceel heeft zij nog steeds rechtstreeks zicht op het perceel en ervaart ze ook nog steeds overlast van de bedrijfsactiviteiten. [partij B] is verhuisd naar het perceel dat op het moment van de verschillende bestreden besluiten en de bestreden uitspraak huisnummer [locatie 2] had. Dat perceel heeft het huisnummer [locatie 3] gekregen.

6.5.    De Afdeling overweegt dat [appellant sub 3B] en [partij B] beiden direct zicht hebben op het perceel. Alleen al daarom kunnen zij worden aangemerkt als belanghebbenden. De Afdeling wijst er ten overvloede nog op dat ook niet valt uit te sluiten dat zij geluid-, licht- en/of geuroverlast van de activiteiten op het perceel kunnen ondervinden. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling daarom terecht overwogen dat [appellant sub 3B] en [partij B] zijn aan te merken als belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Niet bestreden is dat zij sinds de uitspraak van de rechtbank weliswaar zijn verhuisd, maar nog steeds zicht hebben op het perceel.

Het betoog slaagt niet.

Fouten rechtbankuitspraak

7.       Het college en [appellant sub 3B] betogen dat de rechtbank ten onrechte verschillende beroepen en besluiten door elkaar heeft gehaald. Zij voeren hiertoe aan dat de rechtbank in de weergave van het procesverloop ten onrechte heeft opgenomen dat [appellant sub 3B] ook beroep heeft ingesteld tegen het besluit op bezwaar van het college van 10 september 2019 op de handhavingsverzoeken van [partij B] en andersom. Maar dit is niet het geval.

7.1.    De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 3B] geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit op bezwaar van het college van 10 september 2019 op de handhavingsverzoeken van [partij B]. Ook stelt de Afdeling vast dat [partij B] geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 10 september 2019 van het college op de handhavingsverzoeken van [appellant sub 3B]. De Afdeling ziet in deze fout in de weergave in het procesverloop op zichzelf geen reden om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen.

Maar de Afdeling stelt vast dat de rechtbank in de beslissing van haar uitspraak onder het eerste gedachtestreepje ten onrechte heeft opgenomen dat het beroep van [partij B] ook is gericht tegen het besluit op bezwaar van het college van 10 september 2019 op de handhavingsverzoeken van [appellant sub 3B] en daarvan uitgaande dit beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van de rechtbank moet naar het oordeel van de Afdeling op dit punt worden vernietigd.

De Afdeling stelt verder vast dat de rechtbank in de beslissing van haar uitspraak onder het tweede gedachtestreepje ten onrechte heeft opgenomen dat het beroep van [appellant sub 3B] ook is gericht tegen het besluit op bezwaar van het college van 10 september 2019 op de handhavingsverzoeken van [partij B] en daarvan uitgaande dit beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van de rechtbank moet naar het oordeel van de Afdeling ook op dit punt worden vernietigd.

De Afdeling stelt tot slot vast dat de rechtbank in de beslissing van haar uitspraak onder het tiende gedachtestreepje ten onrechte het beroep van [partij B] tegen het besluit van 10 september 2019, waarin het college het bezwaar van [appellant sub 3B] deels gegrond heeft verklaard, gegrond heeft verklaard. [partij B] heeft geen beroep ingesteld tegen dat besluit. De uitspraak van de rechtbank moet dus ook op dit punt worden vernietigd.

Het betoog slaagt.

Beslissingen over de handhavingsverzoeken

Aangeboden beeldmateriaal

8.       De VOF betoogt dat de rechtbank ten aanzien van het besluit van 24 september 2021 ten onrechte heeft overwogen dat het college de verzoekers om handhaving in de gelegenheid had moeten stellen om beeldmateriaal van de gestelde overtredingen over te leggen. Zij voert hiertoe aan dat dit beeldmateriaal niet representatief voor de bedrijfsvoering is, in zijn algemeenheid alleen de worst-case situatie laat zien en de beelden niet objectief zijn.

8.1.    De rechtbank heeft in haar uitspraak onder 20.3 overwogen dat indien het college voornemens was het handhavingsverzoek van [appellant sub 3B] van 24 september 2021 af te wijzen, het zorgvuldigheidsbeginsel meebrengt dat het op de weg van het college ligt om kennis te nemen van het door [appellant sub 3B] aangeboden beeldmateriaal. Het enkele feit dat op het moment van de uitgevoerde controles geen overtredingen werden geconstateerd door de toezichthouders, maakt niet dat het college het aangeboden bewijsmateriaal niet hoefde te bekijken. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat het college geen inzicht heeft verschaft welke normen in het kader van het ruimtelijke spoor en in het milieuspoor op de bedrijfsvoering van de VOF van toepassing zijn. De afwijzing van het handhavingsverzoek bij besluit van 24 september 2021 berust daarom op een ondeugdelijke motivering.

8.2.    De Afdeling stelt voorop dat het college de verplichting heeft om naar aanleiding van het handhavingsverzoek van 26 maart 2021 actief en deugdelijk te onderzoeken of de activiteiten die op het perceel plaatsvinden, in strijd zijn met het bestemmingsplan. Uit het besluit van 24 september 2021 blijkt dat naar aanleiding van het handhavingsverzoek op 11 mei 2021, 4 juni 2021, 18 juni 2021, 12 juli 2021, 20 juli 2021, 27 juli 2021 en 28 juli 2021 controles door toezichthouders zijn uitgevoerd op het perceel. [appellant sub 3B] heeft op de zitting betoogd dat de VOF op deze controles anticipeerde en op het door hen aangedragen beeldmateriaal meerdere overtredingen te zien zijn die door het college tijdens de controles niet zijn waargenomen. De Afdeling overweegt dat het in dit geval daarom vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid op de weg van het college had gelegen om kennis te nemen van het door [appellant sub 3B] aangeboden beeldmateriaal en te onderzoeken of dat aanleiding gaf de wijze van controleren te herzien. De Afdeling acht in dit geval van belang dat het college op de zitting het belang van onaangekondigde bezoeken heeft benadrukt en heeft onderkend dat deze in het kader van de zorgvuldigheid in dit geval noodzakelijk zijn. Het college heeft toegelicht dat controlebezoeken daarom nu op een andere manier plaatsvinden; periodiek en onaangekondigd wordt gekeken wat de feitelijke situatie op het perceel is. Het college heeft in zoverre dus onderkend dat de eerdere wijze van controleren in dit geval niet afdoende was. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank daarom terecht overwogen dat het college de plicht heeft om van het door [appellant sub 3B] aangeboden beeldmateriaal kennis te nemen.

Het betoog slaagt niet.

Inzicht normen

9.       De VOF betoogt dat de rechtbank in haar uitspraak onder 20.3 ten onrechte heeft overwogen dat het college geen inzicht heeft verschaft in welke normen op het bedrijf van toepassing zijn. Zij voert hiertoe aan dat [partij B] en [appellant sub 3B] volledig op de hoogte zijn van de normen die voor het bedrijf gelden, omdat zij verschillende verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur hebben ingediend. Ook zijn er rapportages van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening en heeft een onderzoek in het kader van interbestuurlijk toezicht plaatsgevonden.

9.1.    De Afdeling overweegt dat het college in het besluit van 24 september 2021 heeft aangegeven dat er geen overtredingen op het perceel zijn geconstateerd. Het college heeft het handhavingsverzoek vervolgens afgewezen. In het voornemen om het verzoek af te wijzen van 2 juli 2021, waarop vervolgens een zienswijze kon worden gegeven, heeft het college toegelicht naar welke aspecten het op het bedrijf in het licht van de toepasselijke regelgeving heeft gekeken. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend en dus ten onrechte overwogen dat het college geen inzicht heeft verschaft in welke normen op het bedrijf van toepassing zijn.

Het betoog slaagt.

Omvang van het geschil

10.     Het college betoogt dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden. Het college voert hiertoe aan dat de rechtbank in het kader van het beroep van [partij B] ten onrechte is ingegaan op een afgewezen handhavingsverzoek met betrekking tot het beplantingsplan. Maar [partij B] heeft geen handhavingsverzoek ingediend met betrekking tot een beplantingsplan. De uitspraak is volgens het college daarom in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb.

10.1.  De rechtbank heeft in haar uitspraak onder 14.3 overwogen dat het college bij een besluit van 28 april 2015 een omgevingsvergunning voor de bouw van de loods heeft verleend onder de aanvullende voorwaarde van een instandhoudingsverplichting van de beplanting op het perceel conform het bestemmingsplan. Deze voorwaarde is opgenomen in het bestemmingsplan. Maar volgens de rechtbank betekent dit niet dat de verplichting uit de omgevingsvergunning is komen te vervallen. Al om die reden heeft het college het verzoek tot handhaven van het beplantingsplan ten onrechte afgewezen en die afwijzing in het besluit op bezwaar van 10 september 2019 ten onrechte gehandhaafd. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het college in beginsel gehouden was om de instandhoudingsverplichting van de beplanting op grond van het beplantingsplan te handhaven. De rechtbank is daarom van oordeel dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en op een ondeugdelijke motivering berust, zodat het besluit in zoverre moet worden vernietigd.

10.2.  De Afdeling stelt vast dat [partij B] in het handhavingsverzoek van 8 augustus 2018 het college heeft gevraagd om handhavend op te treden tegen de aangelegde verharding en het gerealiseerde bedrijventerrein binnen de bestemming "Bos" op het perceel. Bij de beslissing op bezwaar van 10 september 2019 op de handhavingsverzoeken van [partij B] heeft het college besloten handhavend op te treden tegen het gebruik van de strook grond met de bestemming "Bos". [partij B] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In het bezwaar heeft [partij B] erop gewezen dat de landschappelijke inpassing niet uitvoerbaar is, omdat in de bebouwingsvrije zone van 5 meter van de keur van het waterschap wordt gekomen en de landschappelijke inpassing aan de oostelijke kant van het perceel niet kan worden gerealiseerd.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1130, is de inhoud van het handhavingsverzoek bepalend voor de omvang van het geding en kan een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer worden uitgebreid. In bezwaar en beroep kan de reikwijdte van het verzoek niet worden vergroot. De rechtbank heeft dit niet onderkend en is naar het oordeel van de Afdeling daarom buiten de grenzen van het geschil getreden.

Het betoog slaagt.

Inpassing loods

11.     Het college en de VOF betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de VOF in strijd met het bestemmingsplan handelt, aangezien de voor een ruimtelijke inpassing van de bedrijfsvoering noodzakelijke loods niet is gebouwd. Zij voeren hiertoe aan dat de landschappelijk inpassing is gekoppeld aan het gebruik van de loods. Omdat de VOF de loods niet heeft gebouwd, hoeft ook niet aan deze voorwaarde te worden voldaan. De uitspraak van de rechtbank komt neer op een onjuiste uitleg van de planregels en een onjuiste lezing van de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:736.

11.1.  De rechtbank heeft onder 15.3.2 van haar uitspraak overwogen dat de planregels van het bestemmingsplan alleen kunnen worden begrepen met inachtneming van de bij besluit van 28 april 2015 aan de VOF verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een loods op het perceel. De VOF heeft geen gebruik gemaakt van deze omgevingsvergunning. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat de VOF in strijd met het bestemmingsplan heeft gehandeld, aangezien de voor een juiste ruimtelijke inpassing van de bedrijfsvoering noodzakelijke loods niet is gebouwd, zodat ze zich niet kan houden aan de normen die op grond van het bestemmingsplan worden verondersteld te gelden. Het college heeft daarom ten onrechte gesteld dat geen sprake was van een overtreding, zodat er geen bevoegdheid bestond om handhavend op te treden. Het besluit op bezwaar van het college op de handhavingsverzoeken van [appellant sub 3B] van 10 september 2019 komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

11.2.  Artikel 14.4 van de planregels luidt:

"Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming wordt in aanvulling op het gestelde in Artikel 45 in ieder geval gerekend:

[…];

i. het gebruik van en het in gebruik laten nemen van het bedrijfsgebouw bedoeld in 14.2.1 onder c overeenkomstig de bestemming en ten behoeve van het loon- en kraanverhuurbedrijf zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform de in de bijlage 4 opgenomen landschappelijke inpassing, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing;

j. de aanleg van de onder i bedoelde landschappelijke inpassing, conform de in de bijlage 4 opgenomen landschappelijke inpassing, na 12 maanden of langer na de aanvang van de bouwwerkzaamheden."

11.3.  Voor het antwoord op de vraag of het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan, zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf en ook in samenhang met de andere planregels (systematiek) niet duidelijk is, dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Die plantoelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever.

11.4.  De Afdeling stelt voorop op dat tussen partijen niet in geschil is dat de loods niet is gebouwd en de landelijke inpassing niet is gerealiseerd. De Afdeling overweegt dat met het bedrijfsgebouw, als bedoeld in artikel 14.4, aanhef en onder i, van de planregels de nieuw te bouwen loods op het perceel wordt bedoeld. Gelet op de redactie van deze bepaling bestaat geen verplichting om dit bedrijfsgebouw te bouwen. Er bestaat uitsluitend een verplichting om de landschappelijke inpassing te realiseren en in stand te houden om dit bedrijfsgebouw na de bouw daarvan te mogen gebruiken. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat het niet bouwen van de loods leidt tot strijd met het bestemmingsplan.

Het betoog slaagt.

Schapenstal

12.     De VOF betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het besluit om niet handhavend op te treden tegen het gebruik van de schapenstal, niet zorgvuldig heeft voorbereid. Zij voert hiertoe aan dat door het college geen overtredingen zijn geconstateerd op grond waarvan het zou kunnen handhaven.

Zij voert verder aan dat niet uit het bestemmingsplan blijkt dat een deel van het perceel mag worden gebruikt voor de schapenhouderij en een ander deel voor het loon- en kraanverhuurbedrijf.

Zij voert verder aan dat als de rechtbank op dit punt gebrekkig door het college is geïnformeerd, dit dan niet mag leiden tot een oordeel ten nadele van de VOF.

12.1.  De rechtbank heeft onder 16.3 van haar uitspraak overwogen dat, voor zover het handhavingsverzoek van [appellant sub 3B] van 8 juni 2016 betrekking heeft op het gebruik van de schapenstal, het college geen blijk heeft gegeven kennis te hebben van de geldende normen op het moment van het besluit op bezwaar van 10 september 2019 op de handhavingsverzoeken van [appellant sub 3B]. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de door de VOF ingediende melding Activiteitenbesluit milieubeheer uitgaat van de met het besluit van 28 april 2015 verleende omgevingsvergunning voor de te bouwen loods, terwijl die loods niet is gebouwd. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat het feit dat die loods niet is gebouwd wel consequenties heeft voor de normen die van toepassing zijn op de bedrijfsvoering van de VOF. Doordat het college gebrekkig is geweest met het aanleveren van stukken, heeft de rechtbank geen inzicht kunnen krijgen in de toepasselijke vergunningen en meldingen. De rechtbank kan daarom niet beoordelen of de VOF zich houdt aan de van toepassing zijnde normen. Het besluit op bezwaar van het college op de handhavingsverzoeken van [appellant sub 3B] van 10 september 2019 komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

12.2.  De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 3B] op 8 juni 2016 een handhavingsverzoek heeft ingediend met betrekking tot het gebruik van de schapenstal. Hierin staat dat de schapenstal, naast het gebruik voor schapen, volgens haar ook wordt gebruikt als werkplaats en stallingsruimte voor het materieel van het kraanbedrijf, wat in strijd met het bestemmingsplan zou zijn. Bij besluit van 26 oktober 2016 heeft het college dit verzoek om handhaving afgewezen. In het besluit op bezwaar van 10 september 2019 op de handhavingsverzoeken van [appellant sub 3B] staat dat het college recent een controlebezoek heeft gebracht aan het perceel. Daarbij heeft het geconstateerd dat de schapenstal daadwerkelijk gebruikt werd voor de huisvesting van schapen. In het besluit staat verder dat, los van de vraag of de schapenstal niet zou mogen worden gebruikt ten behoeve van het loon- en kraanverhuurbedrijf, dit laatste dus überhaupt niet is geconstateerd, zodat geen sprake is van overtreding van de gebruiksregels van het plan.

12.3.  Zoals de Afdeling hiervoor onder 11.3 heeft overwogen zijn voor het antwoord op de vraag of het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf en ook in samenhang met de andere planregels (systematiek) niet duidelijk is, dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Die plantoelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever.

12.4.  De Afdeling stelt vast dat de planregels voor de bestemming "Gemengd - Loon en kraanverhuurbedrijf en schapenhouderij" geen beperkingen stellen aan het gebruik van de schapenstal ten behoeve van het loon- en kraanverhuurbedrijf of voor het houden schapen. Dit is dus aan de gebruiker van de schapenstal om te bepalen. De rechtbank heeft dit niet onderkend en is hier ten onrechte ingegaan op de vraag in hoeverre zij kan beoordelen of de VOF zich houdt en kan houden aan de van toepassing zijnde milieunormen.

12.5.  Op de zitting heeft [appellant sub 3B] zich nog op het standpunt gesteld dat uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 24 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2449, en de tussenuitspraak van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1004, naar aanleiding van de vaststelling van het bestemmingsplan, volgt dat het loon- en kraanbedrijf ondergeschikt is en moet blijven aan een grondgebonden agrarisch bedrijf. Hoewel de Afdeling begrijpt dat [appellant sub 3B] overlast van het bedrijf ondervindt en zij van mening is dat in de planprocedure is gesteld dat het gebruik als loon- en kraanbedrijf ondergeschikt is en moet blijven aan het grondgebonden agrarisch bedrijf, en dat dit volgens haar ook in het plan zou zijn geregeld, kan dat gelet op het voorgaande niet tot een ander oordeel leiden. Dit doet er namelijk niet aan af dat in de planregels niet is geregeld dat het gebruik van het loon- en kraanverblijf ondergeschikt moet zijn aan het grondgebonden agrarische bedrijf.

Het betoog slaagt.

Handhavingsverzoek zeecontainers

13.     De VOF betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het handhavingsverzoek van [appellant sub 3B] van 8 juni 2016, voor wat betreft de plaatsing van zeecontainers op het perceel, ook betrekking heeft op het milieuaspect. Zij voert hiertoe aan dat het handhavingsverzoek daar niet op ziet.

13.1.  Zoals de Afdeling hiervoor ook heeft overwogen onder 10.2, is de inhoud van het handhavingsverzoek bepalend voor de omvang van het geding en kan een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer worden uitgebreid. In beroep en bezwaar kan de reikwijdte van het verzoek niet worden vergroot. De Afdeling stelt vast dat het handhavingsverzoek van [appellant sub 3B] van 8 juni 2016 alleen ziet op strijd met het bestemmingsplan door de aanwezigheid van zeecontainers. Het verzoek heeft geen betrekking op de handhaving van milieuaspecten met betrekking tot de zeecontainers. De rechtbank is met dit oordeel dus buiten de grenzen van het geschil getreden.

Het betoog slaagt.

Plaatsing zeecontainers

14.     [appellant sub 3B] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de zeecontainers vergunningvrij konden worden geplaatst. Zij voert hiertoe aan de containers geen bijbehorend bouwwerk ten behoeve van de bestemming "Bos" zijn en ook niet in het achtererfgebied stonden.

14.1.  De rechtbank heeft onder 17.4 van haar uitspraak overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het plaatsen van zeecontainers vergunningvrij is, gelet op artikel 2, aanhef en derde lid, onder b, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het college heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het plaatsen van de zeecontainers omgevingsvergunningvrij is, aangezien het gaat om een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied. Het college heeft zich terecht niet bevoegd geacht om op dit punt handhavend op te treden.

14.2.  Artikel 13.1 van de planregels luidt:

"De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bosbeheer en houtproductie;

b. een ontsluitingsweg, ter plaatse van de aanduiding "ontsluiting";

c. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden van de bosgebieden;

met daaraan ondergeschikt:

d. het dagrecreatief medegebruik en het educatief medegebruik;

e. paden;

f. nutsvoorzieningen;

g. water;

met de daarbijbehorende:

h. bouwwerken, geen gebouwen zijnde."

Artikel 13.2.1 luidt:

"Op of in deze gronden zullen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd."

14.3.  De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 3B] op 8 juni 2016 een handhavingsverzoek heeft ingediend met betrekking tot de plaatsing en het gebruik van zeecontainers op het perceel. Bij besluit van 26 oktober 2016 heeft het college dit verzoek afgewezen. In het besluit op bezwaar van 10 september 2019 op de handhavingsverzoeken van [appellant sub 3B] heeft het college dit besluit in stand gelaten.

Voor de vraag of de zeecontainers omgevingsvergunningvrij zijn op grond artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Bor, is van belang of de zeecontainers in het achtererfgebied stonden op het moment van het besluit van 26 oktober 2016. Daarvoor is van belang of sprake is van een erf als bedoeld in artikel 1 van bijlage II van het Bor. Een erf is omschreven als al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden. Op de zitting is vastgesteld dat de zeecontainers op het moment van het primaire besluit van 26 oktober 2016 op het stuk grond met de bestemming "Bos" stonden. Deze bestemming is niet gerelateerd aan de bestemming "Gemengd - Loon en kraanverhuurbedrijf en schapenhouderij". De Afdeling stelt verder vast dat de planregels geen mogelijkheid bieden om het perceel met de bestemming "Bos" ten behoeve van het loon- en kraanverhuurbedrijf of de schapenhouderij te gebruiken. Dat betekent dat het perceel met de bestemming "Bos" geen erf is en daarom ook geen achtererfgebied als bedoeld in artikel 1 van bijlage II van het Bor. De zeecontainers kunnen op die plek dus niet vergunningvrij worden gerealiseerd. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling daarom ten onrechte geoordeeld dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen, omdat de zeecontainers vergunningvrij konden worden gerealiseerd.

Het betoog slaagt.

Maaien

15.     De VOF betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet heeft onderzocht of er in het verband met de maaiwerkzaamheden op het perceel sprake is van een overtreding.

15.1.  Zoals de Afdeling hiervoor ook heeft overwogen onder 10.2 en 13.1, is de inhoud van het handhavingsverzoek bepalend voor de omvang van het geding en kan een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer worden uitgebreid. In beroep en bezwaar kan de reikwijdte van het verzoek niet worden vergroot. De Afdeling stelt vast dat het handhavingsverzoek van [appellant sub 3B] van 26 maart 2021 geen betrekking heeft op geluidsoverlast veroorzaakt door maaien. De rechtbank is met dit oordeel dus buiten de grenzen van het geschil getreden.

Het betoog slaagt.

Omgevingsvergunning sleufsilo’s

16.     De VOF betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning voor de sleufsilo’s buiten behandeling had moeten laten, omdat zij geen belanghebbende zou zijn. Zij voert hiertoe aan dat ze bij de beoordeling van de aanvraag met Staatsbosbeheer in onderhandeling was over de aankoop van de grond en de voorwaarden van Staatsbosbeheer al waren geaccepteerd.

16.1.  De rechtbank heeft onder 4.4 van haar uitspraak overwogen dat de VOF geen eigenaar was van de grond waarop de aanvraag van de omgevingsvergunning betrekking had en dat Staatsbosbeheer zich op het moment van het besluit tegen de bebouwing verzette. Het college had de aanvraag van de VOF daarom buiten behandeling moeten stellen.

16.2.  Iemand die een verzoek om omgevingsvergunning indient bij het college, is in beginsel belanghebbende bij een beslissing op dat verzoek. Dit kan anders zijn als het verzoek betrekking heeft op gronden die eigendom van een ander zijn of waarop een ander zakelijke rechten heeft. De verzoeker is geen belanghebbende als (a) aannemelijk is gemaakt dat de voorgenomen activiteit niet kan worden uitgevoerd, omdat de rechthebbende daarvoor geen toestemming wil geven en (b) er geen mogelijkheid bestaat om de activiteit uit te voeren tegen de wens van de rechthebbende in (bijvoorbeeld via onteigening of het opleggen van een gedoogplicht). Alleen als een belanghebbende een bestuursorgaan verzoekt om een besluit te nemen, dan is dat verzoek een "aanvraag" als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Als de verzoeker geen belanghebbende is, dan is zijn verzoek dus geen aanvraag.

16.3.  Staatsbosbeheer was eigenaar van de grond waarop één van de zes sleufsilo’s staat. Dit stuk heeft de bestemming "Bos". Staatsbosbeheer heeft zich in een schriftelijke uiteenzetting op het standpunt gesteld dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college de aanvraag om een omgevingsvergunning ten onrechte in behandeling heeft genomen. Staatsbosbeheer heeft zich namelijk op het moment van het bestreden besluit van 12 september 2019, waarbij het college aan de VOF opnieuw een omgevingsvergunning heeft verleend voor het bouwen van sleufsilo's op het perceel, als eigenaar van deze grond tegen de bebouwing daarvan verzet. Op de zitting is vastgesteld dat Staatbosbeheer het eigendom van de strook grond op 2 februari 2022 heeft overgedragen.

16.4.  De Afdeling overweegt, zoals de rechtbank dat ook heeft gedaan, dat omdat de VOF op het moment van het besluit van 12 september 2019 geen eigenaar van de grond was, en Staatsbosbeheer zich op het moment van dat besluit tegen de bebouwing verzette, het aannemelijk was dat het bouwwerk op de strook grond niet kon worden verwezenlijkt. De VOF heeft verder ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij op het moment van de aanvraag met Staatsbosbeheer in onderhandeling was over aankoop van de grond of dat zij toestemming zou krijgen om op de grond te bouwen. Dit betekent dat de VOF geen belanghebbende bij het verzoek was. Dat de VOF de grond inmiddels heeft aangekocht en eigenaar van die grond is geworden, maakt dat naar het oordeel van de Afdeling niet anders.

16.5.  De Afdeling stelt verder ambtshalve vast dat de rechtbank in de beslissing van haar uitspraak ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien door te bepalen dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning van de VOF buiten behandeling wordt gesteld. De Afdeling wijst erop dat, zoals zij hiervoor heeft overwogen, het verzoek van de VOF om een omgevingsvergunning geen aanvraag is als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb en dus ook niet buiten behandeling kan worden gesteld. De uitspraak van de rechtbank moet op dit punt worden vernietigd.

Het betoog slaagt.

Conclusie en gevolgen

17.     Het voorgaande betekent dat de hoger beroepen van het college en de VOF en het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 3B] gegrond zijn. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd voor zover zij ten onrechte heeft beslist dat het beroep van [partij B] ook gericht is tegen het besluit op bezwaar van het college van 10 september 2019 op de handhavingsverzoeken van [appellant sub 3B] en het beroep in zoverre ook niet-ontvankelijk heeft verklaard. De uitspraak van de rechtbank moet verder worden vernietigd voor zover zij ten onrechte heeft beslist dat het beroep van [appellant sub 3B] ook gericht is tegen het besluit op bezwaar van het college van 10 september 2019 op de handhavingsverzoeken van [partij B] en het beroep in zoverre ook niet-ontvankelijk heeft verklaard. De uitspraak van de rechtbank moet ook worden vernietigd voor zover zij ten onrechte heeft beslist dat het beroep van [partij B] tegen het besluit van 10 september 2019, waarin het college het bezwaar van [appellant sub 3B] deels gegrond heeft verklaard, gegrond is. De uitspraak van de rechtbank moet tot slot worden vernietigd voor zover zij zelf in de zaak heeft voorzien door te bepalen dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning van de VOF buiten behandeling wordt gesteld. De uitspraak van de rechtbank moet, voor zover aangevallen, voor het overige met verbetering van gronden worden bevestigd.

18.     Het college heeft nog niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het college moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van de rechtbank, met dien verstande dat het college rekening moet houden met de door de Afdeling vastgestelde gebreken in die rechtbankuitspraak. De Afdeling wijst er op dat dit onder andere betekent dat het college bij het nemen van de nieuwe besluiten op de bezwaren van [appellant sub 3B] en [partij B] niet handhavend hoeft op te treden met betrekking tot het beplantingsplan, het niet-bouwen van de loods op het perceel, milieuaspecten met betrekking tot de zeecontainers en maaiwerkzaamheden op het perceel.

Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

19.     [appellant sub 3B] en [partij B] hebben op de zitting een verzoek ingediend tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

19.1.  De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot het verlengen van deze termijn.

19.2.  Het college heeft het bezwaarschrift van [appellant sub 3B] tegen het besluit van 26 oktober 2016, ontvangen op 30 november 2016. Het college heeft het bezwaarschrift van [partij B] tegen het besluit van 28 december 2016, ontvangen op 8 februari 2017. De redelijke termijn is in deze procedure dus met respectievelijk 5 jaar en drie maanden en 5 jaar overschreden. Bij e-mailbericht, bij de Afdeling ingekomen op 21 juli 2023, heeft het college de Afdeling verzocht de zaak voor de duur van zes maanden niet op zitting te plannen. Het college heeft dit verzoek op respectievelijk 3 april 2024, 8 oktober 2024, 3 december 2024 en 3 maart 2025 herhaald. De Afdeling ziet daarom aanleiding om dit deel van de overschrijding, namelijk de periode vanaf het eerste e-mailbericht van het college tot de uiteindelijk uitnodiging voor de zitting, door de Afdeling verstuurd op 29 juli 2025, aan het college toe te rekenen. De overschrijding moet dus aan het college en de rechtbank worden toegerekend. De overschrijding moet in de procedure van [appellant sub 3B] voor 52/63e deel aan het college en voor 11/63e deel aan de rechtbank worden toegerekend. De overschrijding moet in de procedure van [partij B] voor 49/60e deel aan het college voor en 11/60e deel aan de rechtbank worden toegerekend.

19.3.  De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarbij wordt opgemerkt dat [appellant sub 3A] samen met [appellant sub 3B] procedeert en [partij A] samen met [partij B]. De Afdeling ziet daarin in dit geval aanleiding om het bedrag te matigen, zodat zij ieder voor zich recht hebben op de helft van bedrag dat zij krijgen toegekend. Daarmee wordt de schadevergoeding voor [appellant sub 3B] vastgesteld op € 5.500 en voor [partij B] op € 5.000.

Proceskosten

20.     Het college moet de proceskosten van de VOF en [appellant sub 3B] vanwege hun hoger beroepen vergoeden. Het college en de Staat der Nederlanden moeten de proceskosten van [appellant sub 3B] en [partij B] vanwege de verzoeken om schadevergoeding vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de hoger beroepen van [appellante sub 1] en het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke, gegrond;

II.       verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], gegrond;

III.      vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover:

- zij het beroep van [partij A] en [partij B] tegen het besluit op bezwaar van het college van 10 september 2019 op de handhavingsverzoeken van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], niet-ontvankelijk heeft verklaard,

- zij het beroep van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] tegen het besluit op bezwaar van het college van 10 september 2019 op de handhavingsverzoeken [partij A] en [partij B], niet-ontvankelijk heeft verklaard,

- voor zover zij het beroep van [partij A] en [partij B] tegen het besluit van 10 september 2019, waarin het college het bezwaar van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] deels gegrond heeft verklaard, gegrond heeft verklaard, en

- voor zover zij zelf in de zaak heeft voorzien door te bepalen dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning van [appellante sub 1] buiten behandeling wordt gesteld;

IV.      bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, voor het overige;

V.       veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke tot vergoeding van bij [appellante sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke tot vergoeding van bij [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], in verband met de behandeling van het incidenteel hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VII.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke aan [appellante sub 1] het door hem betaalde griffierecht van € 548,00 voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt;

VIII.    veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] van een schadevergoeding van € 960,32, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

IX.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke tot betaling aan [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] een schadevergoeding van € 4.539,68, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

X.       veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan [partij A] en [partij B] van een schadevergoeding van € 916,66, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

XI.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke tot betaling aan [partij A] en [partij B] een schadevergoeding van € 4.083,33, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

XII.     veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de bij [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

XIII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke tot vergoeding van de bij [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

XIV.    veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de bij [partij A] en [partij B] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

XV.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke tot vergoeding van de bij [partij A] en [partij B] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzitter, en mr. J. Gundelach en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.

w.g. Jurgens
voorzitter

w.g. Van der Heijden
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026

884-1139

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:2

1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

[..]

Artikel 1:3

[…]

3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

[...]

Artikel 8:1

Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…]

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

[…]

Artikel 2.3a

1. Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten.

2. Het eerste lid blijft buiten toepassing indien voor het bouwen van het desbetreffende bouwwerk op grond van artikel 2.1, derde lid, geen omgevingsvergunning is of was vereist, met dien verstande dat indien in een dergelijk geval sprake is van een bouwwerk waarvan de aanwezigheid slechts een beperkte periode is toegestaan, het eerste lid uitsluitend buiten toepassing blijft gedurende die periode.

Besluit omgevingsrecht, bijlage II

Artikel 1

1. In deze bijlage wordt verstaan onder:

achtererfgebied: erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen;

[…]

erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden;

[…]

Artikel 2

Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:

[…]

3. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:

1°. 5 m,

2°. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en

3°. het hoofdgebouw,

b. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

1°. indien hoger dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule:

maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3;

2°. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het betreft huisvesting in verband met mantelzorg,

c. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn,

d. de ligging van een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag,

e. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte,

f. de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:

1°. in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m²: 50% van dat bebouwingsgebied,

2°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m² en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m²,

3°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m²: 90 m², vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 150 m²,

g. niet aan of bij:

1°. een woonwagen,

2°. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning aangegeven termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand hersteld te hebben,

3°. een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden;

[…]


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon