Uitspraak 202501723/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4263
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 14 maart 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nuenen de aanvraag van [appellant] om een omgevingsvergunning afgewezen. [appellant] heeft een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een tweede uitweg bij zijn woning aan de [locatie] in Nuenen. Het college heeft deze aanvraag geweigerd omdat dit ten koste gaat van de groenvoorzieningen. [appellant] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het college heeft zijn standpunt in bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Nuenen c.a. 2020 heeft mogen weigeren.
- Hoger beroep
- Bouwen
Toon inhoud
202501723/1/A3.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Nuenen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 21 februari 2025 in zaak nr. 24/2692 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Nuenen.
Procesverloop
Bij besluit van 14 maart 2024 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een omgevingsvergunning afgewezen.
Bij besluit van 27 juni 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 juni 2026, waar het college, vertegenwoordigd door C.C.M.G. van Laarhoven en R.J.W. Brekelmans, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een tweede uitweg bij zijn woning aan de [locatie] in Nuenen. Het college heeft deze aanvraag geweigerd omdat dit ten koste gaat van de groenvoorzieningen. [appellant] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het college heeft zijn standpunt in bezwaar gehandhaafd.
Relevante regelgeving
2. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van de uitspraak.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Nuenen c.a. 2020 (APV) heeft mogen weigeren. In artikel 2.5 van de Beleidsregels voor het maken, veranderen of verwijderen van uitwegen (Beleidsregels) staat dat een uitweg minimaal twee meter van de stam van de boom moet worden aangelegd, waarbij de boomwortels niet beschadigd mogen worden. Omdat de uitweg binnen twee meter afstand van de boom zou liggen en door de groenstrook zou gaan, zal de uitweg ten koste gaan van deze groenvoorzieningen. Dat de wadi volgens [appellant] voldoende blijft functioneren, doet daar volgens de rechtbank niet aan af. Verder slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet omdat er geen sprake is van gelijke gevallen. Het door [appellant] aangevoerde gelijke geval is een woning met weliswaar twee uitwegen, maar heeft voor de tweede uitweg geen omgevingsvergunning. Verder heeft hij niet gespecificeerd waar nog meer vergelijkbare gevallen zouden zijn. Tot slot slaagt het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet, omdat het de rechtbank niet is gebleken dat de weigering van de omgevingsvergunning tot onevenredige gevolgen zou leiden.
Hoger beroep
4. [appellant] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de uitweg ten koste zal gaan van de groenvoorzieningen. De boom kan volgens [appellant] namelijk blijven staan. De rechtbank heeft daarnaast volgens hem ten onrechte buiten beschouwing gelaten dat de uitweg kan worden bestraat met grastegels, zodat het groen blijft behouden. Daarbij merkt hij op dat de gemeente Nuenen ook grastegels heeft gebruikt in de straat achter zijn woning. Verder betoogt [appellant] dat er geen sprake kan zijn van precedentwerking omdat zijn situatie uniek is. Voorts heeft de rechtbank volgens hem ten onrechte overwogen dat zijn beroep op het evenredigheidsbeginsel niet slaagt. In tegenstelling tot wat de rechtbank heeft overwogen zal de extra uitweg volgens [appellant] namelijk juist een positief effect op de omgeving hebben. Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn overige beroepsgronden geen bespreking behoeven. Hij handhaaft dan ook al zijn beroepsgronden.
Bescherming van de groenvoorzieningen
5. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen heeft het college beleidsruimte bij het weigeren van een aanvraag van een vergunning om een uitweg aan te leggen. [appellant] heeft niet bestreden dat de uitweg binnen twee meter van de boom komt te liggen. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de uitweg ten koste zal gaan van de groenvoorziening en heeft dan ook terecht overwogen dat het college de omgevingsvergunning voor de uitweg heeft mogen weigeren op grond van artikel 2:12, tweede lid, aanhef en onder d, van de APV. Dat er volgens [appellant] mogelijk grastegels kunnen worden gebruikt om de groenstrook enigszins te compenseren maakt dit niet anders, omdat de uitweg daarmee nog steeds ten koste gaat van groenvoorzieningen, waaronder de boom.
5.1. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank verder terecht overwogen dat het college het voorkomen van precedentwerking heeft mogen betrekken in zijn afweging om de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een uitweg af te wijzen op grond van artikel 2:12, tweede lid, aanhef en onder d, van de APV. De enkele stelling van [appellant] dat zijn situatie uniek is en dus geen sprake kan zijn precedentwerking, is niet onderbouwd en laat onverlet dat precedentwerking ook betrekking heeft op mogelijke toekomstige situaties.
5.2. Het betoog slaagt niet.
Heeft de rechtbank terecht niet alle gronden besproken?
6. Anders dan [appellant] betoogt heeft de rechtbank terecht overwogen dat de gronden over de bruikbaarheid van de weg en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving niet hoeven te worden besproken. De Afdeling kan deze overweging volgen, omdat de rechtbank daarvoor terecht had geoordeeld dat het college de vergunning alleen al mocht weigeren op grond van artikel 2:12, tweede lid, aanhef en onder d, van de APV. Een beoordeling van de andere weigeringsgronden leidt dan ook niet tot een ander oordeel. Anders dan [appellant] betoogt, mocht de rechtbank bij de beoordeling van de beroepsgronden over het gelijkheidsbeginsel en de evenredigheid van het besluit informatie uit de gronden halen die niet besproken zijn, omdat die informatie staat in de op de zaak betrekking hebbende stukken.
6.1. Het betoog slaagt niet.
Evenredigheid
7. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat het besluit niet onevenredig is. Daartoe heeft de rechtbank onder meer terecht betrokken dat [appellant] al een uitweg heeft om zijn auto’s op te parkeren. [appellant] kan daar in ieder geval drie auto’s op parkeren. Als [appellant] de auto’s niet op eigen terrein kwijt kan dan kan hij, zoals de rechtbank terecht heeft betrokken, deze auto’s op een openbare parkeerplaats parkeren. Zoals het college ter zitting heeft toegelicht zijn er parkeervakken langs de weg aangelegd die daarvoor gebruikt kunnen worden. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat niet is gebleken dat de weigering van de vergunning voor [appellant] tot onevenredige gevolgen zou leiden.
7.1. Het betoog slaagt niet.
In hoger beroep herhaalde en ingelaste beroepsgronden
8. Voor zover [appellant] de in beroep aangevoerde gronden in hoger beroep herhaalt en inlast omdat de rechtbank niet op die gronden is ingegaan, heeft [appellant] deze gronden zonder succes naar voren gebracht en leiden deze niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling voegt daaraan toe dat, voor zover [appellant] in hoger beroep ook de beroepsgronden herhaalt en inlast, waarop de rechtbank wel in haar uitspraak is ingegaan, deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. [appellant] heeft namelijk, behalve wat hiervoor is besproken, geen redenen aangevoerd waarom de rechtbank dat onjuist of onvolledig zou hebben gedaan.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
844-1199
Bijlage
Relevante regelgeving
Algemene plaatselijke verordening gemeente Nuenen c.a. 2020
artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders:
a. een uitweg te maken naar de weg;
(…)
2. De vergunning kan worden geweigerd:
(…)
d. in het belang van de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
(…)
Beleidsregels voor het maken, veranderen of verwijderen van uitwegen
2.5 Bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente
(…)
De uitweg moet minimaal 2 meter van de stam van de boom worden aangelegd, waarbij boomwortels niet beschadigd mogen worden. Dit moet onderbouwd worden aangetoond. In specifieke gevallen kan de afstand van de uitweg tot de stam op aangeven van een groenmedewerker van de gemeente worden vergroot. Deze afstand is mede afhankelijk van de stamomtrek van de boom;
(…)