Uitspraak 202204378/1/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3938
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 10 februari 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de constructief onveilige situatie vanwege het ontbreken van een stabiele fundering onder het pand [locatie 1] aan de zijde van [locatie 2] afgewezen. [appellant] is eigenaar van het pand [locatie 2] in Utrecht, dat grenst aan het pand [locatie 1] dat in eigendom is van [partij A] en [partij B]. In de afgelopen jaren is een juridische strijd ontstaan tussen de eigenaren en de gemeente en de eigenaren onderling. De oorsprong van dit conflict ligt voornamelijk in de bouwkundige staat van de panden en het daaruit voorvloeiende handhavend optreden door het college door middel van het opleggen van diverse lasten met betrekking tot de keldermuur tussen [locatie 2] en [locatie 1], en de door [appellant] gesloopte achtergevel van [locatie 2]. Naast deze procedure loopt er een grote hoeveelheid andere, veelal door [appellant] gestarte, procedures tussen de bij deze zaak betrokken partijen. Veel van deze procedures hangen met elkaar samen.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202204378/1/R4.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Utrecht,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 juli 2022 in zaak nr. 22/2459 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
Procesverloop
Bij besluit van 10 februari 2021 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de constructief onveilige situatie vanwege het ontbreken van een stabiele fundering onder het pand [locatie 1] aan de zijde van [locatie 2] afgewezen.
Bij uitspraak van 1 februari 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het door [appellant] tegen het besluit van 10 februari 2021 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, het college opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekend te maken en bepaald dat het college aan [appellant] een dwangsom verbeurt van € 100,00 voor elke dag waarmee het college deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000.
Bij uitspraak van 22 juli 2022 heeft de rechtbank het opnieuw door [appellant] ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het door [appellant] tegen het besluit van 10 februari 2021 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en het college opgedragen om op uiterlijk 28 september 2022 alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 9 augustus 2022 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 10 februari 2021 alsnog kennelijk ongegrond verklaard.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 oktober 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. H. van Gellekom en mr. M. Snippe, vergezeld door B. Olsthoorn, M. van Ligten, mr. K. van Baaren en C. Heemskerk, is verschenen. Verder is op de zitting [partij A], bijgestaan door mr. P.J. Gijsbertsen, advocaat te Utrecht, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo en het Bouwbesluit 2012 (het Bouwbesluit) is gedaan op 1 oktober 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo en het Bouwbesluit, zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.
Inleiding en voorgeschiedenis
2. [appellant] is eigenaar van het pand [locatie 2] in Utrecht, dat grenst aan het pand [locatie 1] dat in eigendom is van [partij A] en [partij B]. In de afgelopen jaren is een juridische strijd ontstaan tussen de eigenaren en de gemeente en de eigenaren onderling. De oorsprong van dit conflict ligt voornamelijk in de bouwkundige staat van de panden en het daaruit voorvloeiende handhavend optreden door het college door middel van het opleggen van diverse lasten met betrekking tot de keldermuur tussen [locatie 2] en [locatie 1], en de door [appellant] gesloopte achtergevel van [locatie 2]. Naast deze procedure loopt er een grote hoeveelheid andere, veelal door [appellant] gestarte, procedures tussen de bij deze zaak betrokken partijen. Veel van deze procedures hangen met elkaar samen.
De Afdeling heeft de zaak op dezelfde dag op een zitting behandeld met zaken nrs. 202304005/1/R4, 202401101/1/R4, 202306418/1/R4, 202305714/1/R4, 202500274/1/R4, 202502500/1/R4, 202400249/1/R4, 202406744/1/R4 en 202405945/1/R4, en zal in elke zaak afzonderlijk uitspraak doen.
Waar gaat deze zaak over?
3. [appellant] heeft het college op 1 oktober 2020 verzocht om handhavend op te treden vanwege het ontbreken van een stabiele fundering onder [locatie 1] aan de zijde van [locatie 2] om daarmee te zorgen dat het pand [locatie 1] op zichzelf stabiel wordt. Het college heeft dit handhavingsverzoek bij besluit van 10 februari 2021 afgewezen. Tegen dat besluit heeft [appellant] bij brief van 11 maart 2021 bezwaar gemaakt.
4. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Beoordeling van het hoger beroep
Procesbelang
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank aan de opdracht om alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken ten onrechte geen termijn van twee weken heeft verbonden als bedoeld in artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank een dwangsom had moeten verbinden aan de opdracht voor het college om een besluit op het bezwaar te nemen als bedoeld in het tweede lid. Daartoe wijst [appellant] erop dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. Volgens [appellant] is de rechtbank er ten onrechte vanuit gegaan dat de hoorzitting pas in september 2022 kon plaatsvinden. [appellant] wijst erop dat hij niet alle dagen van augustus verhinderd was, zodat de hoorzitting eerder kon plaatsvinden en een langere termijn dan twee weken niet gerechtvaardigd was. Verder heeft de rechtbank bij het afzien van het opleggen van een dwangsom volgens [appellant] geen rekening kunnen houden met de planning van de zitting en dat zij de wens heeft om regie te kunnen blijven voeren op de afhandeling van de vele beroepen wegens niet tijdig beslissen en de in dat kader te nemen beslissingen op bezwaar.
5.1. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
5.2. De Afdeling oordeelt dat [appellant] geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is een middel om ervoor te zorgen dat in dit geval het college een besluit neemt op het bezwaar van [appellant]. De vaststelling van de termijnen en dwangsommen door de rechtbank, waartegen het hoger beroep zich richt, dient datzelfde doel. Doordat het college bij het besluit van 9 augustus 2022 op het bezwaar van [appellant] heeft beslist, is dat doel inmiddels bereikt. Verder heeft [appellant] niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt schade te hebben geleden die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen. De Afdeling zal daarom het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Het beroep tegen het besluit van 9 augustus 2022
6. Gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang bezien met artikel 6:24 van de Awb, is het besluit van 9 augustus 2022 van rechtswege mede onderwerp van dit geding.
Is sprake van een overtreding?
7. [appellant] betoogt dat het college in het besluit van 9 augustus 2022 zijn verzoek om handhavend op te treden ten onrechte heeft afgewezen. Volgens hem is onder de keldermuur van [locatie 1], aan de zijde van [locatie 2], in strijd met artikel 2.6 van het Bouwbesluit geen sprake van een stabiele fundering. Hij stelt dat de mandelige keldermuur bij de voorgevel ongeveer 4,5 cm is verzakt en ter hoogte van de achtergevel ongeveer 6,5 cm.
7.1. De Afdeling verwijst naar het oordeel dat is gegeven in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3934, waarin is overwogen dat de kloostermoppenmuur de bouwconstructie is. De gemeente Utrecht heeft bij de uitvoering van de bestuursdwang deze kloostermoppenmuur hersteld en een stabiliteitsvoorziening aangebracht. De uitvoering van die bestuursdwang is, onder meer, gebaseerd op constructieberekeningen van aannemer Schokker. Anders dan [appellant] stelt, heeft de kloostermoppenmuur met de aangebrachte stabiliteitsvoorziening een dragende functie voor zowel [locatie 2] als [locatie 1]. In dit kader wijst de Afdeling op haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3935, waarin is overwogen dat de waalstenenmuur geen onderdeel uitmaakt van de draagconstructie. Dat de stabiliteitsvoorziening die is aangebracht na toepassing van de bestuursdwang niet onder beide panden is aangebracht, betekent nog niet dat reeds daarom sprake zou zijn van strijd met artikel 2.6 van het Bouwbesluit.
Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college zich, onder verwijzing naar de uitgevoerde constructieberekeningen, terecht op het standpunt heeft gesteld dat na toepassing van bestuursdwang geen sprake meer was van een overtreding van artikel 2.6 van het Bouwbesluit. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het niet bevoegd was tot handhavend optreden. Overigens heeft het college nog verduidelijkt dat de door [appellant] gestelde verzakking een normaal verschijnsel is bij oudere panden in de binnenstad van Utrecht.
Het betoog slaagt niet.
8. [appellant] betoogt verder dat de door bestuursdwang uitgevoerde werkzaamheden zijn uitgevoerd zonder te beschikken over een daartoe vereiste omgevingsvergunning. Daarnaast betoogt hij dat de last onder bestuursdwang op een andere wijze uitgevoerd had moeten worden omdat het pand aan de [locatie 1] niet in zijn eigen standzekerheid voorziet. Daartoe wijst hij erop dat het pand [locatie 1] met de mandelige keldermuur is verankerd aan de nieuwe muur die is gebouwd op de betonnen funderingsbalk op het perceel [locatie 2]. Ten slotte betoogt [appellant] dat het college in het kader van de last onder bestuursdwang geen werkzaamheden heeft uitgevoerd aan de mandelige keldermuur, maar aan de kloostermoppenmuur die op zijn perceel staat.
8.1. De Afdeling heeft in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3934, overwogen dat voor de uitvoering van de last onder bestuursdwang geen omgevingsvergunning is vereist. Verder overweegt de Afdeling dat de wijze waarop het college de last onder bestuursdwang heeft uitgevoerd, betrekking heeft op feitelijk handelen en eventuele aansprakelijkheid die niet ter beoordeling van de bestuursrechter voorligt.
Het betoog slaagt niet.
Horen in bezwaar
9. [appellant] betoogt verder dat het college hem had moeten horen voorafgaand aan het nemen van het besluit van 9 augustus 2022. Daartoe wijst hij erop dat het volgens hem ondenkbaar is dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel bestaat over de uitkomst van het ingestelde bezwaar. Als geen twijfel had bestaan over de uitkomst, had het college volgens [appellant] veel eerder een besluit op het bezwaar kunnen nemen. Daarnaast heeft het college aangegeven dat het een complexe zaak is. Verder blijkt volgens [appellant] uit het feit dat het college een rapport van een extern bureau heeft overgelegd, dat het is uitgesloten dat er redelijkerwijs geen twijfel zou bestaan over de uitkomst.
9.1. In de uitspraak van de rechtbank staat dat door partijen is afgesproken dat [appellant] tijdens een hoorzitting op 7 september 2022 zou worden gehoord. Deze hoorzitting heeft geen doorgang gevonden. De Afdeling leidt uit het voorgaande af dat het college er kennelijk ook vanuit is gegaan dat zich geen situatie voordeed waarin van het horen kon worden afgezien op grond van artikel 7:3 van de Awb. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college [appellant] voorafgaand aan het nemen van het besluit van 9 augustus 2022 had moeten horen. Aan het besluit kleeft daarmee een gebrek.
De Afdeling ziet echter aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Daarbij is van belang dat [appellant] meer dan voldoende gelegenheid heeft gehad om te reageren op de standpunten van het college. Zoals in overweging 7.1 staat, is ook als gevolg van de door bestuursdwang uitgevoerde herstelwerkzaamheden geen sprake meer van de overtreding, waarop het handhavingsverzoek zag. Gelet daarop is het niet aannemelijk dat een ander besluit zou zijn genomen. [appellant] is daarom niet benadeeld door het niet horen.
Het betoog slaagt niet.
Overschrijding redelijke termijn
10. [appellant] heeft verzocht om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3934, onder overweging 17 en verder, waarin het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is toegewezen, kan in deze procedure worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. Deze uitspraak en de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3934, gaan over hetzelfde onderwerp, zodat niet aannemelijk is dat door deze procedure extra spanning en frustratie bij [appellant] is veroorzaakt. Gelet op het voorgaande wijst de Afdeling het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Conclusie
11. Het hoger beroep van [appellant] is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het besluit van 9 augustus 2022 is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.
12. Het college moet de proceskosten in beroep vergoeden. Ten aanzien van [partij A] en [partij B] bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de gemaakte proceskosten. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 9 augustus 2022, kenmerk 8680406, ongegrond;
III. wijst het verzoek om schadevergoeding af;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. N.H. van den Biggelaar en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hielkema, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzitter
w.g. Hielkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
700-1096
Bijlage
Awb
Artikel 7:3
Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
b. het bezwaar kennelijk ongegrond is
Artikel 8:55d
1. Indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt de bestuursrechter dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.
2. De bestuursrechter verbindt aan zijn uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. De artikelen 611c en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
3. In bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.
Bouwbesluit
Artikel 2.6
1. Een bestaand bouwwerk is gedurende de restlevensduur voldoende bestand tegen de daarop werkende krachten.
[..].
Artikel 2.7
Een bouwconstructie bezwijkt niet gedurende de in NEN 8700 bedoelde restlevensduur bij de fundamentele belastingcombinaties als bedoeld in NEN 8700.
Artikel 2.8
1. Het niet bezwijken als bedoeld in artikel 2.7 wordt bepaald volgens NEN 8700.
[..].