Uitspraak BRS.26.003338
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3942
- Datum uitspraak
- 9 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 25 juli 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.003338
ECLI:NL:RVS:2026:3942
Datum uitspraak: 9 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de betrokkene],
betrokkene,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 12 juni 2026 in zaak nr. NL24.32351 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 25 juli 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.
Bij uitspraak van 12 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Verzoeker heeft op 2 juli 2026 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 juni 2026 en de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat haar voorgenomen beëindiging van verstrekkingen op 11 juli 2026 achterwege blijft. Alleen al omdat de hogerberoepstermijn nog niet is verstreken, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
2. De voorzieningenrechter kan, ook ambtshalve, deze voorlopige voorziening opheffen of wijzigen, voordat op het door verzoeker ingestelde hoger beroep is beslist (artikel 8:87, eerste lid, van de Awb).
3. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door haar ingestelde hoger beroep is beslist;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.
w.g. Kuijer
voorzieningenrechter
w.g. Veen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026
986