Uitspraak BRS.26.002896 en BRS.26.003401
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3980
- Datum uitspraak
- 8 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 18 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bepaald dat op 4 september 2023 het recht op bescherming eindigt dat appellant geniet op grond van Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022. De staatssecretaris heeft betrokkene ook opgedragen om de Europese Unie binnen vier weken na 4 september 2023 te verlaten.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.002896 en BRS.26.003401
ECLI:NL:RVS:2026:3980
Datum uitspraak: 8 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 mei 2026 in zaak nr. NL23.24808 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 18 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bepaald dat op 4 september 2023 het recht op bescherming eindigt dat appellant geniet op grond van Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022. De staatssecretaris heeft betrokkene ook opgedragen om de Europese Unie binnen vier weken na 4 september 2023 te verlaten.
Bij besluit van 13 februari 2024 heeft de staatssecretaris het besluit van 18 augustus 2023 ingetrokken en vastgesteld dat appellant met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft.
Bij besluit van 12 maart 2024 heeft de staatssecretaris appellant opgedragen om de Europese Unie binnen vier weken na 4 maart 2024 te verlaten.
Bij besluit van 11 juli 2025 heeft de minister het besluit van 12 maart 2024 ingetrokken en appellant opnieuw opgedragen om de Europese Unie binnen vier weken te verlaten.
Bij uitspraak van 18 mei 2026 heeft de rechtbank het door appellant tegen de besluiten van 18 augustus 2023 en 12 maart 2024 ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het door appellant tegen de besluiten van 13 februari 2024 en 11 juli 2025 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J. Eliya, advocaat in Hengelo, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een om voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De eerste grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk onder meer terecht overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor de dienstplichtweigering in Egypte. Anders dan appellant betoogt, heeft zij zich daarbij terecht beperkt tot de beoordeling van de in het dossier aanwezige stukken. De Afdeling wijst daarvoor op het arrest van het Hof van Justitie van 17 oktober 2024, Ararat, ECLI:EU:C:2024:892, punten 49, 50 en 52.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. Wat appellant in de overige grieven heeft aangevoerd leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat die grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roepen die grieven geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier.
w.g. Willems
voorzieningenrechter
w.g. Van Dijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026
967