Uitspraak BRS.25.001366
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3908
- Datum uitspraak
- 9 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 25 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat appellant geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft. Ook heeft hij appellant opgedragen om Nederland binnen een maand te verlaten.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.25.001366
ECLI:NL:RVS:2026:3908
Datum uitspraak: 9 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 27 augustus 2025 in zaak nr. NL24.39126 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 25 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat appellant geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft. Ook heeft hij appellant opgedragen om Nederland binnen een maand te verlaten.
Bij besluit van 11 september 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Ook heeft hij appellant opgedragen om Nederland binnen een maand te verlaten en zich naar Polen te begeven.
Bij uitspraak van 27 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. P.M. Langereis, advocaat in Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant klaagt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank de minister ten onrechte niet heeft veroordeeld in de door hem gemaakte proceskosten. De rechtbank heeft overwogen dat er een gebrek kleeft aan het besluit van 11 september 2024. De staatssecretaris heeft dit besluit namelijk genomen, terwijl de minister met ingang van 2 juli 2024 de bevoegde beslissingsautoriteit is in vreemdelingenzaken. Tijdens de zitting in beroep heeft de minister echter verklaard dat hij het besluit voor zijn rekening neemt. Hierin heeft de rechtbank aanleiding gezien om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Omdat de rechtbank een gebrek heeft geconstateerd, had zij de minister moeten veroordelen tot vergoeding van de bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten.
1.1. De grief slaagt.
2. In zijn tweede grief klaagt appellant terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat partijen het erover eens zijn dat er nog een gebrek kleeft aan het besluit van 11 september 2024. Appellant heeft namelijk in zijn beroepsgronden van 6 november 2024 aangevoerd dat de minister hem in dat besluit ten onrechte heeft opgedragen om zich naar Polen te begeven en de minister heeft in het verweerschrift van 9 mei 2025 het standpunt ingenomen dat appellant dit terecht betoogt. Op dit punt bestond dus geen geschil meer. Gelet hierop had de rechtbank het beroep gegrond moeten verklaren en dit besluit, in ieder geval voor zover de minister daarin appellant heeft opgedragen om zich naar Polen te begeven, moeten vernietigen.
2.1. De grief slaagt.
3. Wat appellant in zijn overige grieven aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
4. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
5. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is, gelet op wat de Afdeling onder 2 heeft overwogen, gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 11 september 2024, voor zover de minister daarin appellant heeft opgedragen om zich naar Polen te begeven. De minister moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de minister dat niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 27 augustus 2025 in zaak nr. NL24.39126;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 11 september 2024, V-[…], voor zover de minister van Asiel en Migratie daarin appellant heeft opgedragen om zich naar Polen te begeven;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026
574-1034