Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202306428/1/V2

Uitspraak 202306428/1/V2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3941
Datum uitspraak
8 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 10 juni 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Regulier

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202306428/1/V2.
Datum uitspraak: 8 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,
appellant,

tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 20 juli 2023 en haar einduitspraak van 29 september 2023 in zaak nr. NL23.4741 in het geding tussen:

[betrokkene 1], [betrokkene 2], mede voor hun minderjarige kinderen, en [betrokkene 3]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 8 februari 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 20 juli 2023 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om een aan dat besluit klevend gebrek te herstellen.

Bij brief van 1 augustus 2023 heeft de staatssecretaris medegedeeld geen gebruik te maken van de in de tussenuitspraak geboden gelegenheid.

Bij uitspraak van 29 september 2023 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 8 februari 2023 door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. L.J.H. Hoven-Kohl, advocaat in Maastricht, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Betrokkenen hebben een nader stuk ingediend.

Overwegingen

Inleiding

1.       Betrokkenen hebben de Eritrese nationaliteit en beogen verblijf bij referent, hun zoon en broer. Referent is geboren op [geboortedatum] 2001 en is sinds 24 november 2017 in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eerst heeft hij als minderjarige verzocht om nareis van zijn ouders uit Eritrea. De minister heeft deze aanvraag afgewezen, onder meer omdat referent niet alle vereiste documenten had overgelegd. Vervolgens heeft referent als meerderjarige een aanvraag ingediend in het kader van artikel 8 van het EVRM voor zijn ouders, drie broers en een zus. De minister heeft deze aanvraag onder meer afgewezen, omdat volgens hem de belangenafweging in het nadeel van betrokkenen was uitgevallen. De rechtbank heeft twee keer eerder het beroep van betrokkenen tegen het besluit op bezwaar gegrond verklaard. Dat deed de rechtbank, omdat de minister naar haar oordeel er niet in slaagde om in zijn besluit, waarbij hij betrokkenen een mvv had geweigerd, deugdelijk te motiveren waarom de belangenafweging in hun nadeel was uitgevallen. De rechtbank heeft ook het derde beroep van betrokkenen gegrond verklaard, het besluit op bezwaar opnieuw vernietigd en overwogen dat naar haar oordeel de belangenafweging alleen maar in het voordeel van betrokkenen kan uitvallen.

Het oordeel van de Afdeling

2.       In de eerste grief klaagt de minister terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn motivering niet getuigt van een ‘fair balance’. De minister betoogt namelijk terecht dat het feit dat hij een aanzienlijk gewicht toekent aan vaak voorkomende en algemene belangen, zoals het economisch belang, niet maakt dat hij daarom in dit geval niet heeft voldaan aan zijn motiveringsplicht. De minister mag algemene aspecten van het economisch welzijn in de belangenafweging betrekken en daar gewicht aan toekennen. Hij moet echter wel in iedere zaak een geïndividualiseerde belangenafweging maken, waarin hij het economisch belang van Nederland weegt en afzet tegen alle overige omstandigheden in het concrete geval. Zie de uitspraken van de Afdeling van 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3046, ECLI:NL:RVS:2026:3048, ECLI:NL:RVS:2026:3049, onder 3.9. Dat heeft hij in dit geval ook gedaan.

2.1.    Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de minister wel duidelijk een op betrokkenen en referent toegespitste afweging van de economische belangen gemaakt en daarbij toegelicht in welke mate betrokkenen en referent zich onderscheiden van elke andere vreemdeling die nareis beoogt. De minister heeft in het besluit van 8 februari 2023 kenbaar en niet ten onrechte in het nadeel van betrokkenen meegewogen dat het aannemelijk is dat de ouders, de drie broers en de zus van referent bij toelating in Nederland, gelet op hun achtergrond en opleiding, een beroep zullen doen op de uit de algemene middelen gefinancierde faciliteiten, zoals onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur en huisvesting. Aan de andere kant heeft de minister, omdat referent jongvolwassene is, betrokkenen niet tegengeworpen dat referent met zijn parttimewerk als vakkenvuller over onvoldoende middelen beschikt om te voorzien in hun levensonderhoud. Daarmee heeft de minister, anders dan de rechtbank heeft overwogen, voldoende rekening gehouden met de leeftijd van referent en ook met het feit dat referent pas sinds 2017 in Nederland rechtmatig verblijft op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft daarnaast niet ten onrechte in het nadeel van betrokkenen meegewogen dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat de ouders van referent makkelijk aan werk kunnen komen in Nederland. Hij heeft in zijn besluit een motivering gegeven die aansluit op de relevante feiten en omstandigheden van het voorliggende geval en dus deugdelijk gemotiveerd waarom hij het economisch belang deels in het nadeel van betrokkenen heeft meegewogen.

2.2.    Verder heeft de rechtbank het besluit van 8 februari 2023 vernietigd, omdat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het bestaan van onoverkomelijke belemmeringen om het gezinsleven in Eritrea uit te oefenen en met de mogelijkheid dat betrokkenen en referent voor altijd van elkaar gescheiden zullen blijven. De minister heeft dit echter wel bij zijn beoordeling betrokken en ook in het voordeel van betrokkenen meegewogen dat er onoverkomelijke belemmeringen zijn om het gezinsleven in Eritrea uit te oefenen, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat dit, in het licht van alle andere belangen, niet resulteert in een totale belangenafweging in hun voordeel.

2.3.    De overweging van de rechtbank dat de minister met de asielachtergrond van referent, zijn leeftijd ten tijde van de eerste aanvraag, de reden van de afwijzing van die aanvraag en het feit dat referent jongvolwassene is, geen of onvoldoende rekening heeft gehouden, komt niet overeen met het besluit van 8 februari 2023. Daarin heeft de minister gemotiveerd uiteengezet dat hij deze elementen in het voordeel van betrokkenen bij de belangenafweging heeft betrokken. De overwegingen van de rechtbank kunnen de vernietiging van het besluit van 8 februari 2023 dus niet dragen.

2.4.    De eerste grief slaagt.

Conclusie

3.       Het hoger beroep is gegrond. Het is niet nodig wat de minister verder heeft aangevoerd te bespreken. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De Afdeling vernietigt de uitspraken van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 20 juli 2023 en haar einduitspraak van 29 september 2023 in zaak nr. NL23.4741;

III.      verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.

w.g. Ristra-Peeters
voorzitter

w.g. Tibold
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026

853-1065


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon