Uitspraak 202204823/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4111
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 6 januari 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda de aanvraag van Stichting Nahuys voor een omgevingsvergunning voor het pand aan de Visserstraat 1a afgewezen. [bestuurder] is enig bestuurder van Stichting Nahuys. Stichting Nahuys is eigenaar van het perceel aan de Visserstraat 1a in Breda. Toezichthouders van het college hebben op 13 juni 2019 in het pand bouwwerkzaamheden waargenomen. Voor deze werkzaamheden was geen omgevingsvergunning verleend en het college heeft de werkzaamheden daarom stilgelegd. Op 11 juli 2019 heeft Stichting Nahuys een omgevingsvergunning aangevraagd voor werkzaamheden aan het pand aan de Visserstraat 1a. Het college heeft de aanvraag aangehouden en een toets op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) laten uitvoeren. Het Landelijk Bureau Bibob (LBB) heeft op 6 december 2019 een Bibob-advies aan het college toegestuurd. Aan het advies van 6 december 2019 is ook een eerder Bibob-advies van 25 oktober 2019 ten grondslag gelegd. In de adviezen concludeert het LBB dat het ernstige vermoeden bestaat dat ter verkrijging van de omgevingsvergunning valsheid in geschrift is gepleegd en ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen, op geld waardeerbare, voordelen te benutten (artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet Bibob; de a-grond) en om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, onder b; de b-grond). Op basis van deze adviezen heeft het college de omgevingsvergunning geweigerd.
- Hoger beroep
- Wet Bibob
Toon inhoud
202204823/1/A3.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. Stichting tot behoud van monumenten Nahuys, gevestigd in Breda,
2. het college van burgemeester en wethouders van Breda,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 juli 2022 in zaken nrs. 20/8363 en 21/745 in het geding tussen:
Stichting Nahuys
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 6 januari 2020 heeft het college de aanvraag van Stichting Nahuys voor een omgevingsvergunning voor het pand aan de Visserstraat 1a afgewezen.
Bij besluit van 13 maart 2020 heeft het college het handhavingsverzoek van Stichting Nahuys afgewezen.
Bij besluit van 22 juli 2020 heeft het college het door Stichting Nahuys tegen het besluit van 6 januari 2020 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluit van 2 februari 2021 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 13 maart 2020 ongegrond verklaard en heeft het college aan Stichting Nahuys een last onder dwangsom en last onder bestuursdwang opgelegd.
Bij uitspraak van 1 juli 2022 heeft de rechtbank het door Stichting Nahuys tegen het besluit van 2 februari 2021 ingestelde beroep ongegrond verklaard, het beroep tegen het besluit van 22 juli 2020 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.
Tegen deze uitspraak hebben Stichting Nahuys en het college hoger beroepen ingesteld.
Stichting Nahuys heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Stichting Nahuys en het college hebben nadere stukken ingediend.
Bij besluit van 1 augustus 2022 heeft het college het bezwaar van Stichting Nahuys tegen het besluit van 6 januari 2020 deels gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. De weigering van de omgevingsvergunning blijft daarmee in stand.
Stichting Nahuys heeft gronden ingediend tegen het besluit van 1 augustus 2022.
Het college heeft een reactie gegeven.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (namens deze: de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 december 2025, waar Stichting Nahuys, vertegenwoordigd door mr. T.D. Rijs, advocaat in Velp, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.N. Sanders, advocaat in Breda, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [bestuurder] is enig bestuurder van Stichting Nahuys. Stichting Nahuys is eigenaar van het perceel aan de Visserstraat 1a in Breda. Toezichthouders van het college hebben op 13 juni 2019 in het pand bouwwerkzaamheden waargenomen. Voor deze werkzaamheden was geen omgevingsvergunning verleend en het college heeft de werkzaamheden daarom stilgelegd. Op 11 juli 2019 heeft Stichting Nahuys een omgevingsvergunning aangevraagd voor werkzaamheden aan het pand aan de Visserstraat 1a. Het college heeft de aanvraag aangehouden en een toets op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) laten uitvoeren. Het Landelijk Bureau Bibob (LBB) heeft op 6 december 2019 een Bibob-advies aan het college toegestuurd. Aan het advies van 6 december 2019 is ook een eerder Bibob-advies van 25 oktober 2019 ten grondslag gelegd. In de adviezen concludeert het LBB dat het ernstige vermoeden bestaat dat ter verkrijging van de omgevingsvergunning valsheid in geschrift is gepleegd en ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen, op geld waardeerbare, voordelen te benutten (artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet Bibob; hierna: de a-grond) en om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, onder b; hierna: de b-grond). Op basis van deze adviezen heeft het college de omgevingsvergunning geweigerd.
1.1. Stichting Nahuys heeft op 12 februari 2020 het college verzocht om tegen haarzelf handhavend op te treden met betrekking tot de staat van het pand aan de Visserstraat 1a. Volgens Stichting Nahuys was het nodig een dakafwerking te plaatsen om schade aan het pand en het pand van de buren te voorkomen. Het college heeft dit handhavingsverzoek met het besluit van 13 maart 2020 afgewezen, omdat er volgens het college geen gevaar is voor de constructieve veiligheid en het tijdelijk plaatsen van een zeil voldoende is om het pand water- en winddicht te maken. Op 2 februari 2021 heeft het college het bezwaar van Stichting Nahuys ongegrond verklaard en alsnog besloten handhavend op te treden, omdat de staat van het pand was verslechterd nadat overtredingen waren geconstateerd van de Woningwet en het Bouwbesluit 2012. Het college heeft daarom aan Stichting Nahuys een last onder bestuursdwang en last onder dwangsom opgelegd. Op 30 maart 2021 is vastgesteld dat de overtredingen waren beëindigd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat een ernstig vermoeden bestond dat Stichting Nahuys de omgevingsvergunning mede zal gebruiken om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Ook kon het college zich redelijkerwijs op het standpunt stellen dat ernstig gevaar bestond dat de beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Het college heeft volgens de rechtbank echter onvoldoende betrokken dat de staat van het pand aan de Visserstraat 1a erg slecht is en het om een gering bedrag van € 13.000,00 gaat. Ook kon het college redelijkerwijs niet aan de weigering ten grondslag leggen dat valsheid in geschrift is gepleegd door de Stichting bij de aanvraag van de vergunning. Het college heeft daarom onvoldoende gemotiveerd waarom weigering van de omgevingsvergunning evenredig is. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de last onder dwangsom en last onder bestuursdwang mocht opleggen. Het college mocht hier volstaan met lasten die het pand water- en winddicht maakten. Er is geen instortingsgevaar en een dakafwerking is voldoende om verdere schade te voorkomen, zo blijkt uit een expertiserapport.
Hoger beroepen
Weigering van de omgevingsvergunning
3. Het college betoogt dat het in staat was het door [bestuurder] behaalde financieel voordeel zelf te berekenen. Daarnaast betoogt het college dat de weigering van de omgevingsvergunning evenredig was. Verder betoogt het college dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van valsheid in geschrift, als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob.
Stichting Nahuys betoogt dat het LBB-advies van 14 april 2022 betrekking heeft op een ander pand in de Catharinastraat en daarom niet relevant is. Het gaat bij de Visserstraat 1a alleen om het herstellen van een dakconstructie en bij de Catharinastraat ging het om een verbouwing en een functiewijziging naar wonen. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat Stichting Nahuys feiten heeft gepleegd die relevant zijn voor de b-grond. Er is geen rekening gehouden met het tijdsverloop en er is geen samenhang tussen de feiten en aangevraagde vergunning. Verder is er geen vermoeden van valsheid in geschrifte omdat er geen verplichting is al bekende informatie opnieuw aan te leveren. Bovendien is het gebruikte Bibob-formulier in strijd met de Regeling Bibob-formulieren, aldus Stichting Nahuys.
3.1. Het college heeft de vergunning geweigerd omdat er sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet Bibob. Ook zijn er volgens het college feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde vergunning een strafbaar feit is gepleegd, namelijk valsheid in geschrift (artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob). Het college heeft het standpunt dat voldaan is aan de a-grond en b-grond en dat valsheid in geschrift is gepleegd, gebaseerd op de adviezen van het LBB van 25 oktober 2019 en 6 december 2019.
3.2. De Afdeling zal hieronder eerst beoordelen of voldaan is aan de a-grond en b-grond. Vervolgens zal de Afdeling beoordelen of weigering van de omgevingsvergunning evenredig was, als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob. Daarna zal de Afdeling beoordelen of het college de weigering mocht baseren op artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob.
3.3. In het advies van 25 oktober 2019 staat dat het LBB het vermoeden heeft dat [bestuurder] in de periode tussen 1 januari 2014 en 1 augustus 2019 heeft gehandeld in strijd met artikel 21, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet 2014 door bij verschillende panden zonder omzettingsvergunning zelfstandige woonruimten om te zetten en omgezet te houden in onzelfstandige woonruimten. Het LBB acht het aannemelijk dat [bestuurder] financieel voordeel heeft verkregen met het omzetten en omgezet houden van zelfstandige woonruimten in onzelfstandige woonruimten, omdat hij hiermee huurinkomsten genereert. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college de overtredingen bij de in het advies genoemde panden mocht betrekken in de beoordeling van de a-grond, met uitzonderingen van de panden waarvan de handhavingsbesluiten door de Afdeling in de uitspraak van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2166, zijn vernietigd. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2294, overweging 8.1. Daarnaast is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het college ook de in het LBB-advies van 4 juni 2015 geconstateerde overtredingen bij panden aan de Witte Vrouwensingel 76 en Weverstedehof 10 en 11-15 van belang mocht achten voor de a-grond. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 21 mei 2025, onder 9.4, heeft geoordeeld, heeft het college deugdelijk gemotiveerd waarom het, in tegenstelling tot het LBB, het behaald financieel voordeel bij de overtredingen bij deze panden kon berekenen. De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat voldaan is aan de a-grond.
3.4. Het LBB heeft in het advies van 25 oktober 2019 verschillende strafbare feiten genoemd die vermoedelijk zijn gepleegd door [bestuurder] of een vennootschap waarvan hij bestuurder is. Het gaat om overtredingen van artikel 2.3, onder b, van de Wabo, van de artikelen 1a en 1b van de Woningwet en artikel 10.1 van de Wet milieubeheer. Deze overtredingen leveren een overtreding op van artikel 1a, onder 1 en 2, van de Wet op de economische delicten. Ook is aan de Stichting Volkshuisvesting Utrecht en Woningexploitatie Nederland B.V., beide vennootschappen waarvan [bestuurder] bestuurder is, een bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen en een vergrijpboete wegens overtreding van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Daarnaast is [bestuurder] in 2015 onherroepelijk strafrechtelijk veroordeeld voor dwang en zijn er in enkele mutaties aanwijzingen dat hij betrokken is geweest bij geweld en intimidatie.
Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college zich op basis van de adviezen van het LBB redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat er ernstig gevaar is dat de aangevraagde omgevingsvergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Op de zitting van de Afdeling heeft Stichting Nahuys bevestigd dat het pand aan de Visserstraat 1a voor commerciële exploitatie is bedoeld en Stichting Nahuys met het pand inkomsten wil genereren. Uit de LBB-adviezen blijkt dat het vermoeden bestaat dat [bestuurder] overtredingen heeft begaan om zo inkomsten uit panden te genereren. Er bestaat samenhang tussen de aangevraagde vergunning en de genoemde strafbare feiten (artikel 3, derde lid, onder a, van de Wet Bibob). Er is sprake van een ernstig vermoeden dat de strafbare feiten zijn gepleegd en het gaat om een groot aantal strafbare feiten. Er is een duidelijk patroon van het niet naleven van (bouw)voorschriften door [bestuurder]. De Afdeling sluit aan bij wat de rechtbank hierover in overwegingen 4.12 en 4.13 heeft overwogen. De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat voldaan is aan de b-grond.
3.5. Artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob bepaalt dat de weigering van een vergunning mag plaatsvinden als die evenredig is met de mate van het gevaar en, voor zover het om een intrekking op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob gaat, de ernst van de strafbare feiten. Bij het antwoord op de vraag of de weigering of intrekking van een vergunning op grond van de Wet Bibob evenredig is, spelen de geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid van de weigering of intrekking een rol. Dit zijn dezelfde elementen als bij de toetsing aan art. 3:4, tweede lid, van de Awb. (zie de uitspraak de Afdeling van 20 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2905). Het college wil voorkomen dat het met de omgevingsvergunning meewerkt aan witwassen of dat het strafbare feiten faciliteert. Hier staat het (financiële) belang van Stichting Nahuys tegenover. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is de Afdeling van oordeel dat het college zwaarder gewicht mocht toekennen aan het algemeen belang dat het college witwassen en strafbare feiten niet faciliteert. Zoals hiervoor onder 3.3 is besproken, heeft [bestuurder] bij verschillende panden overtredingen gepleegd die hem financieel voordeel hebben opgeleverd. Het college en het LBB hebben het behaald financieel voordeel inzichtelijk gemaakt en een bedrag van € 13.000,00 is, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, aan te merken als een groot voordeel (vergelijk de uitspraak van 21 mei 2025, onder 9.7). Daarnaast bestaat, zoals onder 3.4 is besproken, het ernstig vermoeden dat Stichting Nahuys de omgevingsvergunning mede zal gebruiken om strafbare feiten te plegen. Het LBB heeft een groot aantal feiten genoemd die samenhangen met de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd. Het vermoeden bestaat dat [bestuurder] zich regelmatig van constructies heeft bediend, bijvoorbeeld door tussenkomst van stichtingen of vennootschappen, waarbij hij via verbouwing of exploitatie van een pand geld witwast of strafbare feiten pleegt. Gelet op de mate en ernst van het door het LBB en college geconstateerde gevaar acht de Afdeling de door de rechtbank genoemde belangen - de staat van het pand aan de Visserstraat 1a en de woningnood in Breda - niet voldoende om de zwaarwegende belangen die met de Wet Bibob zijn gediend, opzij te schuiven. Hierbij acht de Afdeling ook van belang dat uit het rapport van toezichthouders van de gemeente van 23 mei 2019 blijkt dat de slechte staat van het pand in ieder geval deels te wijten is aan de illegale bouw- en sloopwerkzaamheden die Stichting Nahuys heeft laten verrichten, zoals het verwijderen van het dak.
3.6. Ook mocht het college, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, de weigering van de omgevingsvergunning mede baseren op artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob. In het LBB-advies van 6 december 2019 staat dat volgens het LBB het vermoeden bestaat dat ter verkrijging van de omgevingsvergunning valsheid in geschrift is gepleegd, omdat [bestuurder] de Bibob-formulieren niet naar waarheid heeft ingevuld. Stichting Nahuys heeft de verplichting om informatie die bij de Stichting bekend is, zo volledig mogelijk te vermelden in de Bibob-formulieren. [bestuurder] is enig bestuurder van Stichting Nahuys en is betrokken geweest bij alle in de LBB-adviezen genoemde antecedenten. [bestuurder] is de ondertekenaar van de aanvraag van de omgevingsvergunning. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat feiten en omstandigheden redelijkerwijs doen vermoeden dat Stichting Nahuys bij de aanvraag van de omgevingsvergunning een strafbaar feit heeft gepleegd.
3.7. De conclusie is dat het college de omgevingsvergunning mocht weigeren op grond van de a-grond, de b-grond, artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob, en dat die weigering evenredig is. De overige betogen die Stichting Nahuys in dit kader tijdens de zitting van de Afdeling naar voren heeft gebracht, brengen hier door een gebrek aan deugdelijke onderbouwing geen verandering in.
3.8. De betogen van het college slagen. De betogen van Stichting Nahuys slagen niet.
Last onder bestuursdwang en last onder dwangsom
4. Stichting Nahuys betoogt dat het college niet mocht weigeren handhavend op te treden. Uit het bij het handhavingsverzoek verstrekte deskundigenrapport blijkt dat de staat van het pand sinds de controles van mei en juni 2019 was verslechterd.
4.1. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college mocht weigeren handhavend op te treden en met het besluit van 2 februari 2021 vervolgens alsnog mocht besluiten handhavend op te treden, nadat bij nader onderzoek in het pand op 21 januari 2021 was geconstateerd dat de staat van het pand was verslechterd. Welke normen van het Bouwbesluit 2012 voor het pand gelden of welke bestemming het pand heeft, is voor dat oordeel niet relevant. Van belang is dat de door het college opgelegde last voldoende was om het pand water- en winddicht te houden, er geen acuut instortingsgevaar bestond, het pand niet werd bewoond en de last evenredig was. Voor het standpunt van Stichting Nahuys dat het college tegen Stichting Nahuys verdergaand handhavend moest optreden, ziet de Afdeling geen aanleiding.
4.2. Het betoog slaagt niet.
Besluit van 1 augustus 2022
5. Het besluit van 1 augustus 2022 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Zoals hiervoor is overwogen, slagen de betogen van het college. Dit betekent onder andere dat de uitspraak van de rechtbank van 1 juli 2022 zal worden vernietigd voor zover het beroep tegen het besluit van 22 juli 2020 gegrond is verklaard en voor zover de rechtbank het college heeft opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Daarmee vervalt de grondslag van het besluit van 1 augustus 2022. De Afdeling zal dat besluit vernietigen.
Overschrijding redelijke termijn
6. De redelijke termijn, die uitgangspunt is voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties, is in dit geval vier jaar. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.
6.1. De procedure is aangevangen met het bezwaarschrift van 17 februari 2020 en geëindigd met de uitspraak van de Afdeling van vandaag. De procedure heeft in totaal 6 jaar en bijna 5 maanden geduurd. De redelijke termijn is daarom met bijna 29 maanden overschreden. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen, is geen sprake.
6.2. De overschrijding van de redelijke termijn is in dit geval aan het bestuursorgaan, de rechtbank en de Afdeling toe te rekenen. Het bezwaarschrift tegen het besluit van 13 maart 2020 is van 30 maart 2020 en het besluit op dit bezwaar is van 2 februari 2021, wat bijna 5 maanden langer is dan het half jaar dat voor de redelijke termijn van de bezwaarprocedure staat. Het beroepschrift is van 1 september 2020 en de uitspraak van de rechtbank is van 1 juli 2022. Voor de procedure bij de rechtbank staat anderhalf jaar, zodat de rechtbank de redelijke termijn met 4 maanden heeft overschreden. De rest van de overschrijding van de redelijke termijn van 20 maanden is de Afdeling toe te rekenen. Daarom wordt de vergoeding van de schade uitgesproken ten laste van het college en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties). De overschrijding van de redelijke termijn moet voor 5/29 deel worden toegerekend aan het college, voor 4/29 deel aan de rechtbank en voor 20/29 deel aan de Afdeling.
6.3. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan Stichting Nahuys toe te kennen bedrag € 2.500,00. Omdat de overschrijding aan het college, de rechtbank en de Afdeling is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van het college en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties). Het college wordt veroordeeld tot betaling van € 431,03 aan Stichting Nahuys en de Staat tot betaling van €1.724,14 (de minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties) en € 344,83 (de minister van Justitie en Veiligheid) als vergoeding voor door Stichting Nahuys geleden immateriële schade.
6.4. Het college en de Staat worden ieder veroordeeld tot vergoeding van de helft van de proceskosten die Stichting Nahuys heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek. Deze kosten bestaan uit het indienen van het verzoekschrift. De Afdeling zal bij de berekening de wegingsfactor 0,5 (licht) hanteren.
Slotsom
7. Het hoger beroep van het college is gegrond en het hoger beroep van Stichting Nahuys is ongegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 juli 2020 gegrond heeft verklaard, dat besluit heeft vernietigd, het college heeft opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen en het college heeft veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 22 juli 2020 ongegrond verklaren. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige, met verbetering van de gronden waarop deze rust. De Afdeling zal het besluit van 1 augustus 2022 vernietigen. Dit betekent dat het besluit van 6 januari 2020 herleeft en de vergunning aan Stichting Nahuys dus is geweigerd.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden in verband met behandeling van de hoger beroepen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Breda gegrond;
II. verklaart het hoger beroep van Stichting tot behoud van monumenten Nahuys ongegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 juli 2022 in zaken nrs. 20/8363 en 21/745, voor zover de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 juli 2020 gegrond heeft verklaard, dat besluit heeft vernietigd, het college heeft opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen en het college heeft veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht;
IV. verklaart het beroep tegen het besluit van 22 juli 2020 ongegrond;
V. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant voor het overige;
VI. vernietigt het besluit van 1 augustus 2022, kenmerk 2392491;
VII. wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Breda om aan Stichting tot behoud van monumenten Nahuys te betalen een vergoeding van € 431,03;
IX. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan Stichting tot behoud van monumenten Nahuys te betalen een vergoeding van € 1.724,14;
X. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) om aan Stichting tot behoud van monumenten Nahuys te betalen een vergoeding van € 344,83;
XI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Breda tot vergoeding van bij Stichting tot behoud van monumenten Nahuys in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
XII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij Stichting tot behoud van monumenten Nahuys in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 116,75, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
XIII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van bij Stichting tot behoud van monumenten Nahuys in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 116,75, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.C. Bus, griffier.
w.g. Van Altena
voorzitter
w.g. Bus
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026