Uitspraak BRS.26.001297
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3901
- Datum uitspraak
- 9 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 2 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.001297
ECLI:NL:RVS:2026:3901
Datum uitspraak: 9 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 12 maart 2026 in zaak nr. NL26.12050 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 2 maart 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 12 maart 2026 heeft de rechtbank de minister veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Deniz, advocaat in Breda, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Appellant is op 2 maart 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vw 2000. Tegen deze maatregel heeft hij beroep ingesteld. Bij brief van 10 maart 2026 heeft de minister de rechtbank meegedeeld dat de maatregel op 9 maart 2026 is opgeheven en dat hij appellant een schadevergoeding heeft aangeboden voor de periode van 4 maart 2026 tot en met 9 maart 2026. Ook heeft de minister meegedeeld bereid te zijn de proceskosten van appellant te vergoeden tot een bedrag van € 934,00. De rechtbank is de minister hierin gevolgd.
2. Appellant klaagt in zijn enige grief terecht dat de rechtbank bij de proceskostenveroordeling ten onrechte slechts één punt heeft toegekend voor het indienen van het beroepschrift, terwijl de rechtbank ook een zitting heeft gehouden waarbij de gemachtigde van appellant is verschenen. Daarmee zijn twee proceshandelingen verricht die op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), gelezen in samenhang met onderdeel A1, onder 13, van de bijlage bij het Bpb, ieder voor vergoeding in aanmerking komen. Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb biedt namelijk geen ruimte aan de rechtbank om geen punt toe te kennen als een proceskostenveroordeling wordt uitgesproken en een in de bijlage genoemde proceshandeling daadwerkelijk is verricht.
2.1. Hoewel de rechtbank heeft overwogen dat zij na ontvangst van de brief van de minister van 10 maart 2026 een zitting niet nodig vond, heeft zij op 11 maart 2026 wel een zitting gehouden waar de gemachtigde van appellant is verschenen. De rechtbank had voor deze proceshandeling dus ook een punt moeten toekennen.
2.2. De grief slaagt.
3. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover de rechtbank de minister heeft veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 934,00 en stelt vast dat dit € 1.868,00 moet zijn. De minister moet ook de proceskosten in hoger beroep vergoeden. De Afdeling past bij de proceskosten voor het hoger beroep een wegingsfactor licht (factor 0,5) toe, omdat het hoger beroep alleen gaat over de proceskostenveroordeling en van eenvoudige aard is. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 12 maart 2026 in zaak nr. NL26.12050, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie heeft veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 934,00;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.335,00 (€ 1.868,00 voor het beroep en € 467,00 voor het hoger beroep), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026
644-1102