Uitspraak BRS.26.001115
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3844
- Datum uitspraak
- 6 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 13 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.001115
ECLI:NL:RVS:2026:3844
Datum uitspraak: 6 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 6 maart 2026 in zaak nr. NL26.10215 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 13 februari 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 6 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. L. Sinoo, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van appellant naar Roemenië, ondanks dat zijn identiteitsdocument is kwijtgeraakt. Gelet op wat de Afdeling onder 9.2.3 en 9.2.4 van de uitspraak van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:562, heeft overwogen over de duur van de bewaring van een burger van de Unie en het evenredigheidsbeginsel, volgt daaruit dat de minister bij een voorgenomen uitzetting van een burger van de Unie een meer dan gebruikelijke voortvarendheid moet betrachten. Dat heeft de minister ook gedaan door op 17 februari 2026 een vertrekgesprek met appellant te voeren. Uit de stukken volgt verder dat appellant op 6 maart 2026 is uitgezet, zodat de bewaring drie weken heeft geduurd.
1.1. Uit deze uitspraak volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026
1179-347