Uitspraak 202600732/3/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3909
- Datum uitspraak
- 7 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 4 juni 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer aan [verzoekers] een last onder dwangsom opgelegd. [verzoekers] zijn eigenaren van de woning aan de [locatie 1] in Buitenkaag. [partij] woont ernaast aan de [locatie 2]. Een toezichthouder van het college heeft naar aanleiding van een handhavingsverzoek van [partij] een controle uitgevoerd op het perceel en geconstateerd dat onder meer een aanbouw (het atelier) met terras en een trap zijn gebouwd bij de woning van [verzoekers]. Het college heeft bij het besluit van 4 juni 2024 zoals dat bij het besluit van 13 december 2024 was gehandhaafd, aan [verzoekers] een last onder dwangsom opgelegd, omdat volgens hem voor de bouw van die bouwwerken geen vergunning is verleend, terwijl volgens het college die bouwwerken niet zonder vergunning mochten worden gebouwd.
- Voorlopige voorziening
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202600732/3/R1.
Datum uitspraak: 7 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), hangende het hoger beroep van:
[verzoeker A] en [verzoeker B], beiden wonend in Buitenkaag, gemeente Haarlemmermeer,
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank NoordHolland van 5 februari 2026 in zaken nrs. 25/341 en 25/347 in het geding tussen:
1. [verzoekers],
2. [partij]
en
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.
Procesverloop
Bij besluit van 4 juni 2024 heeft het college aan [verzoekers] een last onder dwangsom opgelegd.
Bij besluit van 13 december 2024 heeft het college de door [verzoekers] en [partij] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 februari 2026 heeft de rechtbank de door [verzoekers] en [partij] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 13 december 2024 vernietigd en het besluit van 4 juni 2024 bij wijze van voorlopige voorziening geschorst tot een nieuw besluit op de bezwaren is genomen en dit besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Tegen deze uitspraak hebben [verzoekers] hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 4 mei 2026 heeft het college de bezwaren van [verzoekers] en [partij] opnieuw ongegrond verklaard, maar het besluit van 4 juni 2024 herroepen voor zover het gaat om de damwand op het betrokken perceel en de begunstigingstermijn vastgesteld op vier maanden na de datum van verzending van het besluit van 4 mei 2026.
[verzoekers] hebben gronden ingediend tegen het besluit van 4 mei 2026.
Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 juni 2026, waar [verzoekers], bijgestaan door mr. Z.P. Kruiver, advocaat in Leiden, en vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. T.A.C. van Diepen, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 24 oktober 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel en niet bindend in de bodemprocedure.
3. [verzoekers] zijn eigenaren van de woning aan de [locatie 1] in Buitenkaag. [partij] woont ernaast aan de [locatie 2]. Een toezichthouder van het college heeft naar aanleiding van een handhavingsverzoek van [partij] een controle uitgevoerd op het perceel en geconstateerd dat onder meer een aanbouw (het atelier) met terras en een trap zijn gebouwd bij de woning van [verzoekers].
Het college heeft bij het besluit van 4 juni 2024 zoals dat bij het besluit van 13 december 2024 was gehandhaafd, aan [verzoekers] een last onder dwangsom opgelegd, omdat volgens hem voor de bouw van die bouwwerken geen vergunning is verleend, terwijl volgens het college die bouwwerken niet zonder vergunning mochten worden gebouwd.
4. De rechtbank heeft overwogen dat de last onder dwangsom niet duidelijk is geformuleerd en heeft daarom het besluit op de bezwaren vernietigd en het college opgedragen om met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op de bezwaren te nemen.
5. Bij besluit van 4 mei 2026 heeft het college uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank en opnieuw beslist op de bezwaren tegen het besluit van 4 juni 2024. Het besluit van 4 mei 2026 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
Bij het besluit van 4 mei 2026 heeft het college de last grotendeels gehandhaafd en daaraan een nieuwe begunstigingstermijn verbonden van vier maanden na de verzenddatum van het besluit.
Het verzoek
6. [verzoekers] verzoeken om schorsing van het besluit totdat de Afdeling heeft beslist op het hoger beroep en het beroep. Zij vinden het niet redelijk om de betrokken bouwwerken al af te moeten breken voordat de Afdeling definitief uitspraak heeft gedaan.
Zoals hiervoor vermeld is aan de last bij het besluit van 4 mei 2026 een begunstigingstermijn van vier maanden na de verzenddatum van het besluit verbonden. Op het moment dat de begunstigingstermijn afloopt moeten zij dus aan de last voldoen. Zij verbeuren een dwangsom van € 8.000,00, als zij dat niet doen. Omdat niet te verwachten is dat de Afdeling binnen deze termijn uitspraak doet, hebben [verzoekers] dus een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Beoordeling van het verzoek
7. Het belang van [verzoekers] bij hun verzoek is - gelet op het verhandelde ter zitting - vooral erop gericht om het atelier niet, zoals de last onder dwangsom verlangt, te hoeven afbreken in afwachting van de uitkomst in de bodemprocedure. De voorzieningenrechter stelt daarbij vast dat het afbreken van het atelier door de wijze waarop het is gebouwd een forse inspanning van [verzoekers] vergt. Daartegenover zijn de belangen van de buurman en het college bij spoedige afbraak van het atelier niet zo groot. De voorzieningenrechter moet daarom wel erg zeker zijn van de uitkomst van de procedure voordat deze dit verzoek om voorlopige voorziening zal afwijzen.
8. Volgens het college kon het atelier niet vergunningvrij gebouwd worden op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van het Besluit omgevingsrecht (Bor), omdat het atelier niet op de grond staat, het atelier is voorzien van een dakterras en sprake is van een overschrijding van de maximale oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken.
9. Artikel 2, aanhef en derde lid, van bijlage II van het Bor, voor zover relevant, luidt:
"Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:
3. Een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in het achtererf, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
[…]
e. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte,
f. de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:
[…]
2°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2,
[…]"
10. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een inhoudelijke beoordeling van de standpunten van partijen nadere bestudering in de bodemprocedure vergt. Zowel naar de feiten als naar de precieze uitleg van het betrokken artikel uit het Bor is nader onderzoek nodig.
Allereerst is andere bestudering nodig van het standpunt van het college dat het atelier niet op maar in de grond staat en daarom niet vergunningsvrij mocht worden gebouwd. Dit vergt een interpretatie van de eerste zin van artikel 2, derde lid, van bijlage II van het Bor, waarover weinig of geen rechtspraak is. Naast deze onduidelijkheid van de regel zijn ook de feiten in deze zaak complex. Het college wijst er in dit verband op dat er bij het realiseren van het atelier grond is afgegraven en dat het atelier deels in die afgraving is geplaatst. [verzoekers] stellen dat dit op zichzelf juist is, maar dat er niet is gegraven in het oorspronkelijke dijktalud ter plaatse maar in de laag grond die kort vóór het realiseren van het atelier op dat talud is aangebracht. Om die reden gaat het volgens hen wel degelijk om een bouwwerk dat op de grond staat als bedoeld in het Bor. Dit vergt dus nader onderzoek.
Dat geldt in mindere mate voor de vraag of het atelier is voorzien van een dakterras. Ter zitting is gebleken dat bij het realiseren van het atelier op het oorspronkelijke terras een vloer is geplaatst die doorloopt over het dak van het atelier. De bouwkundige constructie daarvan doet naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet af aan de omstandigheid dat het deel van de vloer dat zich boven het atelier bevindt zich, gezien de inrichting en het gebruik daarvan, onvoldoende onderscheidt van het oorspronkelijke terras. Dit betekent dat het als deel van het terras moet worden gezien en dat in zoverre niet wordt voldaan aan de voorwaarden die het Bor stelt voor vergunningvrij bouwen. Niet uit te sluiten valt echter dat dit door betrekkelijk eenvoudige voorzieningen zou kunnen worden verholpen. Daarvoor zou het atelier niet afgebroken hoeven te worden.
Over de toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Volgens het college is de oppervlakte van het bebouwingsgebied 258 m2 en mag er dus 81,6 m2 aan bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. De totale oppervlakte aan feitelijk aanwezige bijbehorende bouwwerken bedraagt echter 112,5 m2, zo stelt het college. [verzoekers] betwisten deze berekening. Ter zitting is gebleken dat de berekening van het college op een enkel punt wellicht niet helemaal klopt, maar de voorzieningenrechter is er nog niet van overtuigd dat ook bij een juiste berekening het maximum van vergunningvrij te bouwen m2 aan bijbehorende bouwwerken niet wordt overschreden.
11. De voorzieningenrechter kan in deze procedure dus geen definitief afgewogen oordeel geven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter zal daarom niet tegelijk met het verzoek om voorlopige voorziening de bodemzaak af doen en in deze uitspraak alleen het verzoek om voorlopige voorziening beoordelen.
In dat kader is van belang dat uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter op punten wel bedenkingen heeft bij de opgelegde last. Gelet daarop en op het substantiële belang van [verzoekers] bij het niet voldoen aan de last, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek toe te wijzen en het besluit van 4 mei 2026 en het besluit van 4 juni 2024 bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.
Conclusie
12. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen.
13. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek toe;
II. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer van 4 mei 2026, kenmerk 13317467, en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer van 4 juni 2024, kenmerk 8437446;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer tot vergoeding van bij [verzoeker A] en [verzoeker B] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer aan [verzoeker A] en [verzoeker B] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 vergoedt, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Van Gastel
voorzieningenrechter
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026
195-1036