Uitspraak 202503570/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3894
- Datum uitspraak
- 6 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 17 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
202503570/1/V1.
Datum uitspraak: 6 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 mei 2025 in zaak nr. NL24.50172 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 17 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.
Bij besluit van 21 november 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. K.J. Kerdel, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De grief over de belangenafweging in het kader van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, en grief 1, voor zover deze gaat over frustratie van contact en het al dan niet tegenwerpen van het ontbreken van meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken in het kader van artikel 20 van het VWEU en het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354, leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven in zoverre geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roepen deze grieven in zoverre geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. Grief 1 gaat verder over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (uitspraak van 13 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3693, onder 5.3, over het arrest van het Hof van 27 juni 2018, Diallo, ECLI:EU:C:2018:499, punten 50 en 55, en het ontbreken van de bevoegdheid van de minister om een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU vast te stellen als dat niet daadwerkelijk bestaat). Deze grief biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
3. In grief 2 betoogt appellant tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister een te beperkt beoordelingskader heeft toegepast doordat hij alleen heeft beoordeeld of tussen appellant en referent een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat referent de Europese Unie moet verlaten als de minister appellant geen verblijfsrecht verleent, en dat de minister ten onrechte andere relevante omstandigheden niet doorslaggevend heeft geacht. Dit kader volgt namelijk rechtstreeks uit punt 69 van het arrest Chavez-Vilchez.
3.1. Uit het voorgaande volgt dat de in dit deel van grief 1 en in grief 2 opgeworpen vragen kunnen worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en Remling, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
3.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift ook in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Mercelina
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026
938-1162