Uitspraak 202505131/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3979
- Datum uitspraak
- 8 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 16 juni 2023 heeft de burgemeester van Gennep een vergunning verleend voor het exploiteren van een kamerbewoningsinrichting voor vier kamers op de locatie [locatie] in Heijen. Bij besluit van 5 juli 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gennep een herstelbesluit genomen, omdat het besluit van 16 juni 2023 niet bevoegd was genomen. [partij] heeft op 12 april 2023 een exploitatievergunning voor een kamerbewoningsinrichting aangevraagd voor het exploiteren van een kamerbewoningsinrichting voor vier kamers en zeven personen op de locatie [locatie] in Heijen. Op 4 oktober 2023 heeft het college het besluit van de burgemeester van 16 juni 2023 ingetrokken. Bij besluit van 15 december 2023 is het college bij het besluit van 5 juli 2023 gebleven en heeft het de bezwaren ongegrond verklaard. [appellant] is het niet eens met de verlening van deze exploitatievergunning. Volgens de rechtbank valt de vraag of er in dit geval een omgevingsvergunning is vereist, buiten de omvang van dit geding. [appellant] is het hier niet mee eens en heeft daarom hoger beroep ingesteld.
- Hoger beroep
- Verordeningen
Toon inhoud
202505131/1/A3.
Datum uitspraak: 8 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Heijen, gemeente Gennep,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 augustus 2025 in zaak nr. 24/190 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Gennep.
Procesverloop
Bij besluit van 16 juni 2023 heeft de burgemeester een vergunning verleend voor het exploiteren van een kamerbewoningsinrichting voor vier kamers op de locatie [locatie] in Heijen.
Bij besluit van 5 juli 2023 heeft het college een herstelbesluit genomen, omdat het besluit van 16 juni 2023 niet bevoegd was genomen.
Bij besluit van 15 december 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 augustus 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 mei 2026, waar [appellant], bijgestaan door ing. S. Noordman, en het college, vertegenwoordigd door B. Boci, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [partij] heeft op 12 april 2023 een exploitatievergunning voor een kamerbewoningsinrichting aangevraagd voor het exploiteren van een kamerbewoningsinrichting voor vier kamers en zeven personen op de locatie [locatie] in Heijen. Bij besluit van 16 juni 2023 heeft de burgemeester de exploitatievergunning verleend. Bij besluit van 5 juli 2023 heeft het college een herstelbesluit genomen, omdat het besluit van 16 juni 2023 onbevoegd was genomen. Op 4 oktober 2023 heeft het college het besluit van de burgemeester van 16 juni 2023 ingetrokken. Bij besluit van 15 december 2023 is het college bij het besluit van 5 juli 2023 gebleven en heeft het de bezwaren ongegrond verklaard. [appellant] is het niet eens met de verlening van deze exploitatievergunning. Volgens de rechtbank valt de vraag of er in dit geval een omgevingsvergunning is vereist, buiten de omvang van dit geding. [appellant] is het hier niet mee eens en heeft daarom hoger beroep ingesteld. In dat kader heeft hij zowel formele als inhoudelijke gronden naar voren gebracht. De Afdeling bespreekt hierna eerst de formele en daarna de inhoudelijke gronden.
Hoger beroep
De procedure in bezwaar
Leden bezwaarcommissie
2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de leden van de bezwaarcommissie hun functie konden blijven vervullen tot de opvolgers waren benoemd. Hij voert hiertoe aan dat dit oordeel ertoe leidt dat leden van de bezwaarcommissie tot in de eeuwigheid lid kunnen blijven zolang het college nog geen vervangers heeft aangewezen. De leden waren daarom niet bevoegd te oordelen over zijn bezwaren, aldus [appellant].
2.1. De gronden die [appellant] in hoger beroep over de leden van de bezwaarcommissie heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7 opgenomen overweging, waarin staat dat op grond van artikel 5 van de Verordening Commissie bezwaarschriften Gennep de aftredende voorzitter en de leden van de commissie hun functie vervullen totdat in de opvolging is voorzien. De huidige voorzitter/leden konden daarom hun functie blijven vervullen tot de opvolgers waren benoemd.
Onthouden van recht op zienswijze
3. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte de vergunningaanvraag van 12 april 2023 niet heeft gepubliceerd. Daardoor is hem het recht op het geven van een zienswijze ontnomen en is hij in zijn belangen geschaad.
3.1. In het verweerschrift bij de rechtbank heeft het college opgemerkt dat de kennisgeving van de ontvangst van de aanvraag voor het exploiteren van een kamerbewoningsinrichting per abuis niet in het Gemeenteblad is gepubliceerd. De Afdeling stelt echter vast dat [appellant] tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit tot verlening van de exploitatievergunning. Daardoor heeft hij in de bezwaarprocedure, maar ook in beroep en nu in hoger beroep, alsnog zijn zienswijze kenbaar kunnen maken. Bovendien heeft [appellant] op de zitting bij de Afdeling bevestigd dat hij uiteindelijk zijn recht op het geven van een zienswijze heeft kunnen uitoefenen. Naar het oordeel van de Afdeling is [appellant] dan ook niet in zijn belangen geschaad.
3.2. Het betoog slaagt niet.
Procesdossier
4. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het procesdossier incompleet is. Zo vermeldt het procesdossier niets over de begin 2023 aangevraagde en vervolgens ingetrokken omgevingsvergunning. Hierdoor worden de feiten onjuist gepresenteerd, aldus [appellant].
4.1. Deze procedure gaat over de verleende exploitatievergunning voor het exploiteren van een kamerbewoningsinrichting op de locatie [locatie] in Heijen. Dat begin 2023 een omgevingsvergunning zou zijn aangevraagd en later zou zijn ingetrokken, is niet van belang voor de beoordeling van dit geschil. De rechtbank heeft daarom op goede gronden overwogen dat niet is gebleken dat er essentiële (proces)stukken met betrekking tot de verleende exploitatievergunning ontbreken voor de beoordeling van dit geschil.
4.2. Het betoog slaagt niet.
5. De conclusie is dat het betoog van [appellant] over formele gebreken niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leidt.
De inhoudelijke beoordeling van het besluit van 15 december 2023
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vraag of er in dit geval een omgevingsvergunning is vereist buiten de omvang van dit geding valt. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank heeft nagelaten het besluit te toetsen aan het bestemmingsplan Kern Heijen 2016 (bestemmingsplan). Uit het bestemmingsplan volgt dat een woning is bestemd voor het huisvesten van één afzonderlijk huishouden. Ook is de rechtbank niet ingegaan op het Voorbereidingsbesluit "Verbod kamerbewoning gemeente Gennep" (Voorbereidingsbesluit), zoals vastgesteld op 19 december 2022. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] hierover nog aangevoerd dat hij het beoordelingskader anders interpreteert dan het college. Volgens hem is een omgevingsvergunning vereist tot vier personen, bij meer dan vier personen is daarnaast ook nog een exploitatievergunning nodig. Een omgevingsvergunning is dus vereist om de aanvraag voor een exploitatievergunning voor kamerverhuur in behandeling te kunnen nemen. Nu ontbreekt iedere ruimtelijke onderbouwing.
6.1. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat de vraag of in dit geval een omgevingsvergunning is vereist buiten de omvang van dit geding valt, omdat een omgevingsvergunning, op grond van het bestemmingsplan, geen vereiste is voor de verlening van de exploitatievergunning voor het exploiteren van een kamerbewoningsinrichting voor meer dan vier personen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Gennep 2020 (APV). Het college hoefde het besluit daarom niet aan het bestemmingsplan te toetsen. Voor zover [appellant] heeft gewezen op het Voorbereidingsbesluit, overweegt de Afdeling dat dit ook ziet op kamerbewoning tot vier personen op grond van het bestemmingsplan. Omdat het hier gaat om een verleende exploitatievergunning op grond van de APV, is het Voorbereidingsbesluit op deze situatie niet van toepassing.
6.2. Het betoog slaagt niet.
Ten onrechte niet handhaven/gedogen
7. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in 2022 aan de [locatie] sprake was van illegale kamerverhuur en dat het college heeft nagelaten hiertegen handhavend op te treden dan wel de illegale situatie te gedogen. Dit is in strijd met de handhavingsplicht van het college, aldus [appellant].
7.1. Zoals onder 4.1 al is overwogen, gaat deze procedure over de verleende exploitatievergunning voor het exploiteren van een kamerbewoningsinrichting op de locatie [locatie] in Heijen. De vraag of het college gehouden was handhavend op te treden tegen illegale kamerbewoning op dit adres, kan in deze procedure daarom niet aan de orde komen.
7.2. Het betoog slaagt niet.
Het bijgebouw
8. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft nagelaten in te gaan op zijn beroepsgrond over het bijgebouw. Volgens [appellant] kloppen de tekeningen die onderdeel worden/zijn van de exploitatievergunning niet en dat is of kan een poging zijn om toekomstig gebruik van de bijgebouwen te rechtvaardigen.
8.1. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat zij de situatie moet beoordelen op basis van de verleende vergunning en bijbehorende plattegrondtekeningen. Het bijgebouw is geen onderdeel van de verleende vergunning. Als [appellant] van mening is dat het bijgebouw in strijd met wettelijke voorschriften wordt gebruikt voor huisvesting van arbeidsmigranten of dat de voorwaarden van de vergunning worden overtreden, kan hij een verzoek om handhaving indienen.
8.2. Het betoog slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
9. Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Hij voert hiertoe aan dat de situatie aan de Spoorstraat 143 in Gennep wel degelijk een gelijk geval is, omdat in beide gevallen sprake is van kamerbewoning aan arbeidsmigranten. Verder heeft [appellant] nog aangevoerd dat het college op 23 maart 2026 de vergunningaanvraag voor kamerverhuur op het adres Ottersumseweg 5 in Gennep wel heeft geweigerd. Volgens [appellant] heeft het college hierbij op goede gronden getoetst aan het bestemmingsplan Kern Ottersum 2011, wat identiek is aan het bestemmingsplan Kern Heijen 2016. Ook om die reden is volgens [appellant] sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel.
9.1. De gronden die [appellant] in hoger beroep over het gelijkheidsbeginsel heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 9 opgenomen overweging, waarin staat dat geen sprake is van gelijke gevallen, omdat in het geval van de Spoorstraat 143 ging om een aangevraagde omgevingsvergunning en in dit geval om een aangevraagde exploitatievergunning. De Afdeling voegt daaraan nog toe dat alleen al omdat sprake is van verschillende vergunningen met andere kaders, geen sprake is van gelijke gevallen. Dat in beide gevallen sprake is van kamerbewoning aan arbeidsmigranten, doet daar daarom niet aan af.
Conclusie
10. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Westerbaan, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Westerbaan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026
1050