Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.25.002344

Uitspraak BRS.25.002344

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3857
Datum uitspraak
6 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 19 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
  • Hoger beroep
  • Bewaring

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.25.002344
ECLI:NL:RVS:2026:3857
Datum uitspraak: 6 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 2 december 2025 in zaak nr. NL25.56772 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 2 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. C.F. Wassenaar, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Appellant betoogt in de eerste grief terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling ondubbelzinnig heeft verklaard dat hij geen verzoek om internationale bescherming wenst in te dienen, zodat geen sprake was van een verzoek als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn. Daarvoor is van belang dat hij tijdens het gehoor werd bijgestaan door zijn gemachtigde, die appellant heeft voorgelicht over de mogelijkheid van een asielprocedure. Appellant heeft vervolgens herhaaldelijk verklaard geen verzoek om internationale bescherming te willen indienen. Daarnaast staat in het proces-verbaal van het gehoor de volgende afsluitende opmerking: "na overleg […] is besloten dat appellant toch op artikel 59b in bewaring gesteld moest worden, omdat er niet gezegd kan worden dat betrokkene geen gevaar loopt bij terugkeer naar Georgië". Hieruit lijkt te volgen, zoals appellant betoogt, dat hij alsnog op deze grondslag in bewaring is gesteld om het risico op refoulement te kunnen beoordelen bij een besluit op een asielaanvraag, en niet omdat hij een verzoek om internationale bescherming wenste in te dienen. Van een vreemdeling kan echter niet verlangd worden dat hij een verzoek om internationale bescherming indient om de volledige eerbiediging van het beginsel van non-refoulement bedoeld in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest, te kunnen doen gelden. Zie het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647, punt 75.

1.1.        Er was geen uiting die niet anders kan worden opgevat dan als een verzoek om internationale bescherming, als bedoeld in de uitspraken van de Afdeling van 3 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4533, onder 2.1, en van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329, onder 7.5. De minister kon appellant niet in bewaring stellen op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000, omdat appellant niet geacht kon worden rechtmatig verblijf te hebben als asielzoeker op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000. In dit geval had de minister het risico op refoulement moeten beoordelen in de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, als aan de overige vereisten voor die grondslag was voldaan.

1.2.        De eerste grief slaagt.

1.3.        De bewaring is van aanvang af onrechtmatig. Wat appellant in de tweede grief heeft aangevoerd hoeft daarom niet te worden besproken. Verder zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).

Conclusie

2.        Omdat de Afdeling tot het oordeel komt dat de maatregel vanaf het begin onrechtmatig is, bestaat voor ambtshalve toetsing geen aanleiding. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan appellant toe. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 2 december 2025 in zaak nr. NL25.56772;

III.        verklaart het beroep gegrond;

IV.        kent aan appellant een vergoeding toe van € 300,00, over de periode van 19 november 2025 tot en met 21 november 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

V.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.

w.g. De Poorter
voorzitter

w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026

47-1111


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon