Uitspraak BRS.25.000775
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3885
- Datum uitspraak
- 8 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 8 oktober 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.25.000775
ECLI:NL:RVS:2026:3885
Datum uitspraak: 8 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 28 mei 2025 in zaak nr. NL25.8600 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 8 oktober 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 24 januari 2025 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. U.H. Hansma, advocaat in Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Het hoger beroep
1. De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag over het beleid in paragraaf B8/3.1 van de Vc 2000, op basis waarvan de minister de kennisgeving van aangifte of het verlenen van medewerking aan het strafproces mensenhandel ambtshalve aanmerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, zodra de politie of de Koninklijke Marechaussee deze naar hem heeft doorgestuurd, heeft de Afdeling beantwoord in haar uitspraak van 4 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2528, onder 3.1 tot en met 3.4. De overwegingen in die uitspraak zijn hier ook van toepassing. Hieruit vloeit voort dat de grief slaagt.
1.1. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Conclusie hoger beroep
2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep tegen het besluit van 24 januari 2025
3. Betrokkene klaagt tevergeefs dat de minister de hoorplicht heeft geschonden door hem met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb niet te horen in bezwaar. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, mag de minister met toepassing van dat artikelonderdeel alleen van het horen in bezwaar afzien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een ander besluit; zie de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5 tot en met 5.3. Dat is hier het geval, omdat het betoog van betrokkene in bezwaar alleen gaat over de gang van zaken bij de politie en de minister, en de werking van zijn beleid, wat niet tot een ander besluit zou hebben geleid.
3.1 Ook de beroepsgronden roepen geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
4. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 28 mei 2025 in zaak nr. NL25.8600;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Stoové
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026
282-1095