Uitspraak BRS.25.002039
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3858
- Datum uitspraak
- 6 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 3 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.25.002039
ECLI:NL:RVS:2026:3858
Datum uitspraak: 6 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 18 november 2025 in zaak nr. NL25.53814 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 3 november 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 18 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant betoogt in zijn enige grief terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij geen verzoek om internationale bescherming wenst in te dienen, zodat geen sprake was van een verzoek als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn. Uit het proces-verbaal van het gehoor blijkt dat appellant door de Franse autoriteiten is overgedragen aan Nederland. Appellant heeft in het gehoor meermalen verklaard dat hij Nederland wil verlaten en in Frankrijk bij zijn zwangere vriendin wil verblijven. Appellant heeft desgevraagd ook geuit dat hij niet terug kan naar Algerije, dat hij daar veel problemen had en dat het zijn dood wordt, maar dat neemt niet weg dat hij expliciet heeft verklaard dat hij niet naar Nederland gekomen is om asiel aan te vragen en herhaaldelijk heeft geweigerd het formulier voor een verzoek om internationale bescherming te ondertekenen. Er waren geen uitingen die niet anders opgevat konden worden dan als een verzoek om internationale bescherming, als bedoeld in de uitspraken van de Afdeling van 3 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4533, onder 2.1, en van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329, onder 7.5. Van een vreemdeling kan bovendien niet verlangd worden dat hij een verzoek om internationale bescherming indient om de volledige eerbiediging van het beginsel van non-refoulement bedoeld in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest, te kunnen doen gelden. Zie het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647, punt 75.
1.1. De minister kon appellant niet in bewaring stellen op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000, omdat appellant niet geacht kon worden rechtmatig verblijf te hebben als asielzoeker op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000. De bewaring is van aanvang af onrechtmatig.
1.2. De enige grief slaagt.
1.3. Verder zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
Conclusie
1.4. Omdat de Afdeling tot het oordeel komt dat de maatregel vanaf het begin onrechtmatig is, bestaat voor ambtshalve toetsing geen aanleiding. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan appellant toe. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 18 november 2025 in zaak nr. NL25.53814;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. kent aan appellant een vergoeding toe van € 3.100,00, over de periode van 3 november 2025 tot en met 3 december 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026
47-1111