Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202503481/1/A3

Uitspraak 202503481/1/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3972
Datum uitspraak
8 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 29 april 2024 heeft het college een verzoek van [appellant] om herinschrijving op het adres [locatie] te Rotterdam afgewezen. [appellant] is met ingang van 15 september 2023 uitgeschreven uit de basisregistratie personen (brp) omdat uit onderzoek was gebleken dat hij niet meer op het adres [locatie] in Rotterdam (het adres) woonde waarop hij in het brp stond ingeschreven. [appellant] heeft vervolgens op 8 februari 2024 een verzoek om herinschrijving gedaan op hetzelfde adres. Dit verzoek werd afgewezen omdat ook na nieuw onderzoek van het college niet aannemelijk is geworden dat [appellant] inmiddels wel op het adres woonde. Het college wijst er bijvoorbeeld op dat hij bij verschillende huisbezoeken niet thuis was. [appellant] bestrijdt dit. Hij zegt wel op het adres te wonen. [appellant] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank. Hij betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het adres woont.
  • Hoger beroep
  • Basisregistratie

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202503481/1/A3.
Datum uitspraak: 8 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Rotterdam,
appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 mei 2025 in zaak nr. 24/8060 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2024 heeft het college een verzoek van [appellant] om herinschrijving op het adres [locatie] te Rotterdam afgewezen.

Bij besluit van 25 juli 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 mei 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M. El Idrissi, advocaat in Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Duivenhouwer, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] is met ingang van 15 september 2023 uitgeschreven uit de basisregistratie personen (brp) omdat uit onderzoek was gebleken dat hij niet meer op het adres [locatie] in Rotterdam (het adres) woonde waarop hij in het brp stond ingeschreven. [appellant] heeft vervolgens op 8 februari 2024 een verzoek om herinschrijving gedaan op hetzelfde adres. Dit verzoek werd afgewezen omdat ook na nieuw onderzoek van het college niet aannemelijk is geworden dat [appellant] inmiddels wel op het adres woonde. Het college wijst er bijvoorbeeld op dat hij bij verschillende huisbezoeken niet thuis was. [appellant] bestrijdt dit. Hij zegt wel op het adres te wonen.

Relevante wet- en regelgeving

2.       De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Uitspraak van de rechtbank

3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het adres woont waar hij ingeschreven wil worden. De rechtbank heeft hierbij betrokken dat [appellant] bij slechts één van de door het college uitgevoerde huisbezoeken op het adres werd aangetroffen. Bij het huisbezoek van 25 maart 2024 is er ook gebeld naar zijn telefoonnummer, maar [appellant] heeft toen niet opgenomen. Voorts heeft de politie op 8 april 2024 een huisbezoek gedaan. [appellant] werd niet op het adres aangetroffen, de woning zag er niet bewoonbaar uit en er werden geen kledingstukken of levensmiddelen aangetroffen. [appellant] heeft niet alle stukken opgestuurd waar het college op 5 april 2024 om heeft gevraagd. Uit de bankafschriften die hij toen heeft opgestuurd blijkt evenmin dat [appellant] op het adres woont waarop hij wil worden ingeschreven. Ook uit het parkeergedrag van [appellant] blijkt dit niet. Tot slot overweegt de rechtbank dat het door de verhuurder niet doorzetten van de geplande ontruiming en het ontvangen van een bijstandsuitkering dit niet anders maken, omdat daar andere beoordelingskaders aan ten grondslag liggen.

Hoger beroep

4.       [appellant] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank. Hij betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het adres woont. De rechtbank heeft niet onderkend dat er te weinig gewicht toegekend is aan de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden. Hij voert aan dat zijn bel niet werkte, dat het college een oud telefoonnummer heeft gebeld, dat hij de deur niet open kon doen vanwege zijn medische situatie, dat hij altijd, tijdig en binnen enkele dagen op verzoeken van het college gereageerd heeft, dat hij slechts een aantal keren thuis is bezocht, dat er geen ‘niet-thuis-brief’ is achtergelaten en dat er in de rapportages vage verklaringen staan die betrekking hebben op een andere woning. De rechtbank heeft verder volgens [appellant] ten onrechte geen waarde toegekend aan het gegeven dat de verhuurder de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning niet heeft doorgezet en het feit dat [appellant] op het adres een bijstandsuitkering ontvangt.

Beoordeling hoger beroep

5.       Het doel van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) is dat de in de brp vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en de gebruikers van de gegevens erop kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Daarom moeten in de brp gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene geregistreerd worden. Als bij het college na adresonderzoek in redelijkheid gerede twijfel kan bestaan of de betrokkene op het adres woont waarop hij in de brp is ingeschreven, is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij op dat adres woont. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1314, r.o. 5.

6.       Het college heeft bij de afwijzing van het verzoek om herinschrijving betrokken dat er in augustus en september 2023 en in maart 2024 verschillende huisbezoeken hebben plaatsgevonden, waarbij [appellant] maar bij één daarvan op het adres werd aangetroffen. [appellant] was verder niet bereikbaar op het bij het college bekende telefoonnummer. Hij heeft daarnaast niet alle stukken die in de brief van 5 april 2024 werden gevorderd opgestuurd. Tot slot werd bij een bezoek van de politie en van Team Woonoverlast op 8 april 2024 de woning niet in bewoonde of bewoonbare staat aangetroffen.

6.1.    De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat in beginsel de bewijslast om aannemelijk te maken dat [appellant] op het adres woont bij het college ligt, maar in het licht van het voorgaande de bewijslast bij hem komt te liggen. Er bestond met andere woorden gerede twijfel dat [appellant] op het adres woonde. De omstandigheden dat er geen niet-thuis-brief is achtergelaten, dat er een onjuist telefoonnummer zou zijn gebeld en dat er vage verklaringen in de rapportages zouden staan, doen aan die gerede twijfel niet af. Hetzelfde geldt voor het betoog dat de bel het niet deed, omdat in de rapportage van het huisbezoek van 19 september 2023 te lezen is dat de bel het wel doet. Daarnaast is er bij verschillende huisbezoeken ook aangeklopt. [appellant] heeft verder niet nader toegelicht, ook niet in hoger beroep, waarom hij door zijn medische situatie de deur niet kon opendoen. Hij is ook niet slechts enkele keren bezocht. Het college heeft op verschillende dagen op verschillende tijdstippen huisbezoeken gedaan. De rechtbank is verder, anders dan [appellant] stelt, gemotiveerd ingegaan op het betoog dat de verkeerde verdieping zou zijn bezocht. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat het om een kennelijke verschrijving gaat.

6.2.    [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij op de momenten van de controle toch op het adres woonde. Dat [appellant] per november 2024 wel weer ingeschreven staat op het adres is hierbij niet relevant, omdat de controles die ten behoeve van de besluitvorming zijn uitgevoerd op een andere periode zien.

6.3.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het besluit van het college in stand kan blijven, omdat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het adres zijn woonadres zoals bedoeld in artikel 1.1, onder o, van de Wet brp had.

6.4.    Het betoog slaagt niet.

Conclusie

7.       Het hoger beroep is ongegrond.

8.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.

w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Bossmann
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026

314-1199

Bijlage

Relevante wet- en regelgeving

Artikel 1.1 van de Wet brp

In deze wet en de daarop berustende bepaling wordt verstaan:

[…]

o. het woonadres:

1°      het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het    adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;

2°      het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder 1, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zal overnachten;

[…]


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon