Uitspraak BRS.26.002219 en BRS.26.002220
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3864
- Datum uitspraak
- 7 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 1 februari 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellanten om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.002219 en BRS.26.002220
ECLI:NL:RVS:2026:3864
Datum uitspraak: 7 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant1] en [appellant 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 10 april 2026 in zaak nr. 25/23377 in het geding tussen:
[appellant 1] en [appellant 2]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2024 heeft de minister een aanvraag van appellanten om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 21 november 2025 heeft de minister het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. R. Moszkowicz, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft onder meer terecht en op goede gronden overwogen dat het advies van het Bureau Medische Advisering op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de conclusies daarop aansluiten. De door appellanten overgelegde verklaringen zijn geen concrete aanknopingspunten voor twijfel daaraan. De voorzieningenrechter neemt de motivering onder 5.2 van de uitspraak van de rechtbank over. Anders dan appellanten betogen, heeft de rechtbank daarom terecht geen aanleiding gezien voor nader onderzoek. Gelet op het voorgaande, ziet de voorzieningenrechter ook geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:47 van de Awb een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. Den Heyer
voorzieningenrechter
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026
918