Uitspraak 202600846/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3969
- Datum uitspraak
- 8 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- De examencommissie Rotterdam Mainport Institute van de Hogeschool Rotterdam heeft op 27 november 2025 een klacht van [appellant] over de beoordeling van het tentamen van de cursus International Supply Chain ongegrond verklaard. Bij beslissing van 12 februari 2026 heeft het het college van beroep voor de examens van de Hogeschool Rotterdam het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep niet-ontvankelijk verklaard. [appellant] volgde de bacheloropleiding Logistics Management aan de Hogeschool Rotterdam. Bij beslissing van 15 januari 2025 heeft de examinator de eerste tentamengelegenheid van [appellant] van de cursus International Supply Chain beoordeeld met een onvoldoende. [appellant] heeft zich schriftelijk tot de examencommissie gewend op 30 september 2025, waarin hij heeft aangegeven dat de beoordeling volgens hem onjuist is. De examencommissie heeft dat stuk van [appellant] als klacht inhoudelijk in behandeling genomen, daarnaar onderzoek gedaan en de klacht op 27 november 2025 ongegrond verklaard. Zij heeft geconcludeerd dat de beoordeling van de examinator in stand kan blijven. [appellant] heeft tegen deze beslissing administratief beroep ingesteld bij het CBE.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Studentenzaken
Toon inhoud
202600846/1/A2.
Datum uitspraak: 8 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van beroep voor de examens van de Hogeschool Rotterdam (CBE),
verweerder.
Procesverloop
De examencommissie Rotterdam Mainport Institute van de Hogeschool Rotterdam heeft op 27 november 2025 een klacht van [appellant] over de beoordeling van het tentamen van de cursus International Supply Chain ongegrond verklaard.
Bij beslissing van 12 februari 2026 heeft het CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. A. Sanders en J. Diepenhorst namens de examencommissie, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] volgde de bacheloropleiding Logistics Management aan de Hogeschool Rotterdam. Bij beslissing van 15 januari 2025 heeft de examinator de eerste tentamengelegenheid van [appellant] van de cursus International Supply Chain beoordeeld met een onvoldoende. [appellant] heeft zich schriftelijk tot de examencommissie gewend op 30 september 2025, waarin hij heeft aangegeven dat de beoordeling volgens hem onjuist is. De examencommissie heeft dat stuk van [appellant] als klacht inhoudelijk in behandeling genomen, daarnaar onderzoek gedaan en de klacht op 27 november 2025 ongegrond verklaard. Zij heeft geconcludeerd dat de beoordeling van de examinator in stand kan blijven. [appellant] heeft tegen deze beslissing administratief beroep ingesteld bij het CBE.
Beslissing en toelichting van het CBE
2. Het CBE heeft in zijn beslissing van 12 februari 2026 geconcludeerd dat [appellant] op de hoorzitting van het CBE heeft gezegd dat hij gerechtigheid en een principiële uitspraak wenst, omdat hij vindt dat examinatoren zich discriminerend gedragen en studenten niet serieus worden genomen. Het CBE heeft zich op het standpunt gesteld dat het administratief beroep daarom niet in behandeling genomen kan worden. Het heeft het administratief beroep niet-ontvankelijk verklaard.
3. Ter zitting van de Afdeling heeft het CBE toegelicht dat het administratief beroep van [appellant] moet worden opgevat als een klacht tegen de algemene omgangswijze van personeel van de opleiding. Het administratief beroep is daarom niet-ontvankelijk en [appellant] kan alsnog de juiste klachtprocedure starten.
Beroep en de beoordeling daarvan
4. [appellant] betoogt dat de examencommissie de verkeerde (klacht)procedure heeft opengezet en dat de examencommissie zijn gronden had moeten doorzenden aan het CBE als administratief beroep tegen de beoordeling van de examinator. Zijn gronden van het administratief beroep zijn verder niet alleen algemeen van aard. Hij is het oneens met de beoordeling van de examinator. Hij heeft er in administratief beroep, onder meer op de hoorzitting van het CBE, concreet op gewezen dat hij stukken voor de cursus heeft ingeleverd via Teams die niet zijn meegenomen door de examinator. Verder heeft hij erop gewezen dat hij al langer problemen heeft met de examinator, die volgens hem niet onbevooroordeeld is. Het wordt hem op deze manier onmogelijk gemaakt om de opleiding te volgen en hij is daar nu tijdelijk mee gestopt.
4.1. Het CBE heeft in zijn verweerschrift erkend dat de examencommissie een klacht van [appellant] over de beoordeling van de examinator niet inhoudelijk in behandeling had moeten nemen. De Afdeling is het met partijen eens dat de examencommissie niet de goede (voor)procedure heeft gevolgd. Het CBE is in zijn beslissing echter niet ingegaan op de gevolgen daarvan voor de ontvankelijkheid van het administratief beroep. Verder heeft [appellant] in administratief beroep gronden aangevoerd tegen de beoordeling van de examinator, namelijk dat hij meer stukken heeft ingeleverd dan waarvan zou zijn uitgegaan en dat de examinator niet onbevooroordeeld zou zijn. Deze gronden van het administratief beroep kunnen niet worden opgevat als een algemene klacht over de omgangswijze van personeel van de opleiding. Dat [appellant] op de hoorzitting van het CBE vooral gronden van algemene aard zou hebben aangevoerd over de omgangswijze van personeel van de opleiding, betekent ook niet dat hij daarmee (alleen) een klacht heeft ingediend. De Afdeling constateert daarmee dat het CBE zijn beslissing niet dragend heeft gemotiveerd.
4.2. Het betoog slaagt.
Conclusie
5. Het beroep is gegrond. De beslissing van het CBE van 12 februari 2026 moet worden vernietigd. De Afdeling zal het CBE opdragen om binnen zes weken een nieuwe beslissing op het administratief beroep te nemen. Daarin moet het CBE beoordelen of het administratief beroep ontvankelijk is gelet op de gevolgde (voor)procedure en, als dat zo is, moet het ingaan op de gronden van [appellant] over het inleveren van werk via Teams en over de examinator.
6. Het CBE moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt de beslissing van het college van beroep voor de examens van de Hogeschool Rotterdam van 12 februari 2026, kenmerk 2026/3043645;
III. draagt het college van beroep voor de examens van de Hogeschool Rotterdam op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het administratief beroep te nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;
IV. veroordeelt het college van beroep voor de examens van de Hogeschool Rotterdam in de door [appellant] in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V. gelast dat het college van beroep voor de examens van de Hogeschool Rotterdam het door [appellant] betaalde griffierecht ten bedrage van € 54,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Schuurman, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026
1100