Uitspraak 202601343/1/R1 en 202601343/2/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3870
- Datum uitspraak
- 6 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 17 maart 2026 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoorn het "Definitief aanwijzingsbesluit locaties ondergrondse containers voor restafval en glas en bovengrondse GFE containers binnenstad gemeente Hoorn" (aanwijzingsbesluit) vastgesteld. Daarbij heeft het onder meer locatie BH52RA, ter hoogte van Gerritsland 29, aangewezen voor de plaatsing van een ondergrondse restafvalcontainer (ORAC) en een GFE-cocon. Een GFE-cocon is een bovengrondse container in een omhulsel, die handmatig in en uit de cocon kan worden gereden om te worden geleegd. Deze locatie is voorzien op ongeveer 1,80 m van de gevel van het appartementengebouw van de VvE. De VvE is het om meerdere redenen niet eens met de aanwijzing van deze locatie en heeft daarom beroep ingesteld tegen het aanwijzingsbesluit. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om het aanwijzingsbesluit in afwachting van een uitspraak in de bodemzaak wat betreft de aanwijzing van locatie BH52RA te schorsen. De VvE betoogt dat de afstand tussen de bestreden locatie en de gevel kleiner is dan gebruikelijk (1,80 m) en dat daardoor de kans op schade aan het appartementengebouw groot is, zowel bij het installeren als bij het ledigen van de containers.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Afval
Toon inhoud
202601343/1/R1 en 202601343/2/R1.
Datum uitspraak: 6 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:
VvE Gerritsland/hoek Gravenstraat, gevestigd in Hoorn,
verzoekster,
en
het college van burgemeester en wethouders van Hoorn,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 17 maart 2026 heeft het college het "Definitief aanwijzingsbesluit locaties ondergrondse containers voor restafval en glas en bovengrondse GFE containers binnenstad gemeente Hoorn" (aanwijzingsbesluit) vastgesteld. Daarbij heeft het onder meer locatie BH52RA, ter hoogte van Gerritsland 29, aangewezen voor de plaatsing van een ondergrondse restafvalcontainer (ORAC) en een GFE-cocon.
Tegen dit besluit heeft de VvE beroep ingesteld.
De VvE heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college een verweerschrift ingediend.
De VvE heeft een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 23 juni 2026, waar de VvE, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door C.C.M. Gorter-Haring, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij het aanwijzingsbesluit heeft het college onder meer de locatie BH52RA aangewezen voor de plaatsing van een ORAC en een GFE-cocon ter hoogte van Gerritsland 29. Een GFE-cocon is een bovengrondse container in een omhulsel, die handmatig in en uit de cocon kan worden gereden om te worden geleegd. Deze locatie is voorzien op ongeveer 1,80 m van de gevel van het appartementengebouw van de VvE. De VvE is het om meerdere redenen niet eens met de aanwijzing van deze locatie en heeft daarom beroep ingesteld tegen het aanwijzingsbesluit. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om het aanwijzingsbesluit in afwachting van een uitspraak in de bodemzaak wat betreft de aanwijzing van locatie BH52RA te schorsen.
Kortsluiting
2. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hebben partijen daarvoor hun toestemming verleend en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Toetsingskader
3. Bij de keuze van een locatie voor afvalcontainers moet het college een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De voorzieningenrechter beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van afvalcontainers.
Afstand tot de gevel
4. De VvE betoogt dat de afstand tussen de bestreden locatie en de gevel kleiner is dan gebruikelijk (1,80 m) en dat daardoor de kans op schade aan het appartementengebouw groot is, zowel bij het installeren als bij het ledigen van de containers. De VvE wijst in dat verband op de richtlijnen van andere gemeenten die een afstand van ten minste 2 m tot aan de gevel hanteren bij de plaatsing van ORAC’s. De VvE voert in dit kader ook aan dat het college in een eerder aanwijzingsbesluit van 30 september 2025 als uitgangspunt een afstand van minimaal 2 m hanteerde. Het college heeft volgens haar onvoldoende duidelijk gemaakt waarom daar in dit geval van wordt afgeweken. De VvE vreest, vanwege de korte afstand tussen de bestreden locatie en de gevel van het appartementengebouw, met name voor schade door trillingen bij het ledigen van de ORAC door de inzamelwagen.
4.1. Het college heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat, anders dan in andere gemeenten, zij voor de plaatsing van ORAC’s geen richtlijnen heeft voor afstanden die moeten worden aangehouden tussen de gevels van woningen en de locatie van de ORAC en daarom dan ook niet het beleidsuitgangspunt hanteert dat een ORAC op een afstand van minimaal 2 m van de gevel dient te worden geplaatst. Volgens het college zijn er in de historische binnenstad van Hoorn maar een beperkt aantal locaties beschikbaar. Het college heeft verder toegelicht dat voor de bewuste locatie een afstand van 2 m tot de gevel in dit geval vanwege leidingen in de ondergrond niet mogelijk is, maar dat een minimale afstand van 1,8 m tot de gevel wel kan worden gegarandeerd. Het college heeft er daarbij op gewezen dat het legen van de containers door ervaren personeel wordt uitgevoerd, dat de installatiewerkzaamheden stapsgewijs plaats vinden en dat een bouwkundige opname zal worden gemaakt. Het college wijst in dit verband op een ander geval binnen de gemeente waar de afstand tot de gevel nog kleiner is en er geen schade is ontstaan bij plaatsing of door het legen. Het college stelt dat de plaatsing en het legen van de containers daarom, alles overziend, niet zal leiden tot schade aan de gevel. Daarbij heeft het college op de zitting nog wel aangegeven dat 1,8 m tot de gevel het absolute minimum is en dat niet is uit te sluiten dat bij het plaatsen wordt bekeken of vergroten richting 2,0 m mogelijk is, gelet op de ligging van de kabels en leidingen in de grond.
Gelet op de toelichting van het college, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college heeft mogen uitgaan van een minimale afstand van 1,8 m tussen de gevel van het appartementengebouw en de locatie van de ORAC en GFTE-cocon.
Voor zover de VvE vreest voor schade door trillingen bij het legen van de ORAC, overweegt de voorzieningenrechter dat zij geen concrete aanknopingspunten heeft geboden voor die vrees. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat het college heeft toegelicht dat op andere locaties in de historische binnenstad van Hoorn ORAC’s op kleinere afstand van de gevel zijn geplaatst en dat het op die locaties niet heeft geleid tot schade als gevolg van trillingen. De VvE heeft niet nader geconcretiseerd waarom trillingen op de betrokken locatie wel zullen leiden tot schade aan de gevel van het appartementengebouw. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van het college dat er geen reële kans is op schade.
Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter in wat de VvE heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college locatie BH52RA niet heeft mogen aanwijzen voor het plaatsen van een ORAC.
Het betoog slaagt niet.
Afstand tot de boom
5. De VvE betoogt dat de afstand van de voorziene GFE-cocon tot de naastgelegen boom te klein is en dat de plaatsing en lediging van de GFE-container in de cocon daarom zal leiden tot schade aan de boom.
5.1. Het college heeft toegelicht dat de plaatsing en de lediging van de GFE-container niet zal leiden tot schade aan de naastgelegen boom. De container bestaat volgens het college namelijk uit een bovengronds omhulsel waarin een afvalbak wordt geplaatst, die handmatig wordt geledigd. Gelet op deze toelichting, die ook niet is weersproken, ziet de voorzieningenrechter ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college locatie BH52RA niet geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van de GFE-cocon.
Het betoog slaagt niet.
Gevolgen van het gebruik van de ORAC
6. De VvE betoogt dat locatie BH52RA voor het plaatsen van een ORAC ongeschikt is, omdat deze leidt tot overlast door geur, geluid en de bijplaatsing van afval voor de zes woningen binnen het appartementengebouw. Verder betoogt de VvE dat het college locatie BH52RA niet heeft mogen aanwijzen, omdat bij de lediging van de containers het verkeer wordt geblokkeerd. Dit kan volgens de VvE leiden tot verkeersonveilige situaties wegens de dichtbijgelegen school.
6.1. Wanneer de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, beoordeelt de Afdeling in een procedure als deze of het betrokken bestuursorgaan de gevolgen van de aanwijzing voor de omgeving aanvaardbaar heeft kunnen achten. Die beoordeling kan ook betrekking hebben op nadelen die inherent zijn aan het gekozen inzamelsysteem, zoals geluid- en geuremissie van het gebruik van een ORAC, toeneming van verkeer van en naar een ORAC en (verkeers)hinder die gepaard gaat met het legen van een ORAC. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt echter dat die gevolgen onder normale omstandigheden niet aan aanwijzing van een locatie in de weg hoeven staan. Daarbij is van belang dat geluid- en geurhinder door de constructie van ORAC’s en door het regelmatig legen en schoonmaken zoveel mogelijk worden voorkomen, dat de verkeersaantrekkende werking in het algemeen beperkt is en dat het legen van ORAC’s maar van korte duur is. De voorzieningenrechter wijst als voorbeeld op de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1464. De voorzieningenrechter zal daarom enkel beoordelen of locatiespecifieke of andere bijzondere omstandigheden maken dat het college in die gevolgen reden had moeten zien om de locatie niet aan te wijzen.
6.2. In de door de VvE in algemene zin geuite vrees voor geurhinder heeft het college geen belemmering voor aanwijzing van locatie BH52RA hoeven zien.
Waar het gaat om de bijplaatsing van afval voor de zes woningen binnen het appartementengebouw van de VvE, overweegt de voorzieningenrechter dat bijplaatsen van afval bij een ORAC een kwestie van handhaving is. Reeds hierom is er geen aanleiding voor het oordeel dat locatie BH52RA ongeschikt is voor de plaatsing van de ORAC wegens bijplaatsingen en het college die locatie daarom niet heeft mogen aanwijzen.
Waar de VvE stelt dat de plaatsing van een ORAC op locatie BH52RA ongeschikt is vanwege de verkeersveiligheid in verband de aanwezigheid van een dichtbijgelegen school, vat de voorzieningenrechter de aanwezigheid van de school in de nabijheid van die locatie op als een locatiespecifieke omstandigheid. De voorzieningenrechter overweegt dat het college hierover heeft gesteld dat locatie BH52RA in een woonwijk ligt waar een maximale toegestane snelheid voor motorvoertuigen van 30 km/u geldt, en dat het legen van de containers slechts enkele minuten in beslag neemt. Verder heeft het college erop gewezen dat in de dienstverleningsovereenkomst die de gemeente Hoorn met afvalbedrijf HVC heeft gesloten, is afgesproken dat bij het ophalen van het afval rekening wordt gehouden met spits- en schooltijden. De voorzieningenrechter ziet in wat daar door de VvE tegen is aangevoerd geen aanleiding om aan de toelichting van het college te twijfelen. Evenmin is gebleken van andere bijzondere omstandigheden die maken dat het college in de gevolgen voor de verkeersveiligheid toch reden had moeten zien om de locatie niet aan te wijzen.
Het betoog slaagt niet.
Tussenconclusie
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft het college locatie BH52RA naar het oordeel van de voorzieningenrechter geschikt mogen achten voor de plaatsing van een ORAC en een GFE-cocon.
Alternatieve locaties
8. De VvE betoogt dat er twee geschiktere alternatieve locaties zijn. Zij wijst allereerst op de locatie naast de blinde muur van een gymzaal ter hoogte van Gerritsland 56. Daarnaast wijst de VvE op de parkeerplaats voor de berging ter hoogte van Gerritsland 67.
8.1. In overweging 7 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het college locatie BH52RA geschikt heeft mogen achten voor het plaatsen van de ORAC en GFE-container. De voorzieningenrechter zal beoordelen of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van die locatie vanwege de voorgestelde alternatieve locaties. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.
8.2. Het college heeft toegelicht dat beide alternatieve locaties in het geheel niet geschikt zijn voor de plaatsing van afvalcontainers vanwege de aanwezigheid van ondergrondse kabels en leidingen. Volgens het college ligt over de gehele lengte van de parkeerplaatsen op de locatie bij de gymzaal ter hoogte van Gerritsland 56 een middenspanning kabel, waardoor deze locatie geen geschikt alternatief is. Wat betreft de locatie van de parkeerplaats voor de berging ter hoogte van Gerritsland 67, heeft het college toegelicht dat daar evenmin een ORAC kan worden geplaatst door de aanwezigheid van een hogedrukleiding. Met inachtneming van deze toelichting ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het college had moeten afzien van de aangewezen locatie vanwege geschikter alternatieve locaties.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond.
10. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep ongegrond;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D. Tieleman, griffier.
w.g. Knol
voorzieningenrechter
w.g. Tieleman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026
817-1099