Uitspraak 202505244/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3965
- Datum uitspraak
- 8 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 7 februari 2023 heeft de burgemeester van Utrecht aan De Stadstuin Events B.V. (de vergunninghouder) een alcoholvergunning verleend. De burgemeester heeft aan de vergunninghouder een alcoholvergunning verleend voor additionele horeca bij Congresgebouw De Vereeniging in proeflokaal de Dom, gevestigd op de Mariaplaats 14 in Utrecht. [appellante] woont vlak naast dit congresgebouw. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen de vergunningverlening. Volgens [appellante] zag de aanvraag ook op een exploitatievergunning, en had de burgemeester daarop moeten beslissen. De burgemeester heeft het besluit van 7 februari 2023 gedeeltelijk herroepen, maar voor wat betreft het door [appellante] bestreden onderdeel in stand gelaten. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanvraag van de vergunninghouder niet ook zag op een exploitatievergunning. Ter onderbouwing daarvan heeft zij zes bewijsstukken overgelegd, waaruit volgens haar blijkt dat de vergunninghouder een exploitatievergunning heeft aangevraagd. De burgemeester had op grond van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht dan ook moeten beslissen op deze aanvraag en deze moeten afwijzen.
- Hoger beroep
- Drank en horeca
- Verordeningen
Toon inhoud
202505244/1/A3.
Datum uitspraak: 8 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Utrecht,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 augustus 2025 in zaak nr. 23/3442 in het geding tussen:
[appellante]
en
de burgemeester van Utrecht.
Procesverloop
Bij besluit van 7 februari 2023 heeft de burgemeester aan De Stadstuin Events B.V. (de vergunninghouder) een alcoholvergunning verleend.
Bij besluit van 25 mei 2023 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 augustus 2025 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 juni 2026, waar [appellante] en de burgemeester, vertegenwoordigd door S.E. Silbermann, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. De burgemeester heeft aan de vergunninghouder een alcoholvergunning verleend voor additionele horeca bij Congresgebouw De Vereeniging in proeflokaal de Dom, gevestigd op de Mariaplaats 14 in Utrecht. [appellante] woont vlak naast dit congresgebouw. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen de vergunningverlening. Volgens [appellante] zag de aanvraag ook op een exploitatievergunning, en had de burgemeester daarop moeten beslissen. De burgemeester heeft het besluit van 7 februari 2023 gedeeltelijk herroepen, maar voor wat betreft het door [appellante] bestreden onderdeel in stand gelaten.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de aanvraag van de vergunninghouder ziet op de verkrijging van een alcoholvergunning en niet ook op een exploitatievergunning. De vraag of de vergunninghouder een exploitatievergunning nodig heeft valt dan ook buiten de reikwijdte van het geding. De burgemeester heeft volgens de rechtbank terecht opgemerkt dat [appellante], als zij vindt dat de vergunninghouder een exploitatievergunning nodig heeft, een handhavingsverzoek moet indienen.
De beroepsgronden die [appellante] heeft aangevoerd over de overlast, de strijd met het bestemmingsplan en de exploitatie zonder de volgens haar benodigde exploitatievergunning, houden geen verband met de weigeringsgronden van de Alcoholwet en moeten in deze procedure buiten beschouwing blijven omdat zij er niet toe kunnen leiden dat de burgemeester de alcoholvergunning had moeten weigeren.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de burgemeester niet onzorgvuldig heeft gehandeld in de procedure rond de vergunningverlening.
Hoger beroep
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanvraag van de vergunninghouder niet ook zag op een exploitatievergunning. Ter onderbouwing daarvan heeft zij zes bewijsstukken overgelegd, waaruit volgens haar blijkt dat de vergunninghouder een exploitatievergunning heeft aangevraagd. De burgemeester had op grond van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dan ook moeten beslissen op deze aanvraag en deze moeten afwijzen.
3.1. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4, 4.1, 5, 5.1 en 6.1 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt hier nog aan toe dat de aanvrager zelf bepaalt waarvoor hij een vergunning aanvraagt. Voor de besluitvorming is de aanvraag leidend. Vergelijk de uitspraak van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3297, onder 5.6. Gelet op de inhoud van de aanvraag was er voor de burgemeester geen aanleiding deze aanvraag ook op te vatten als een aanvraag voor een exploitatievergunning. Bovendien heeft de vergunninghouder nimmer te kennen gegeven dat zij ook heeft beoogd een exploitatievergunning aan te vragen. Zoals de rechtbank heeft overwogen, heeft de burgemeester in dit geval terecht geen besluit genomen over een exploitatievergunning. Dat er met het gebruikte aanvraagformulier ook een exploitatievergunning kan worden aangevraagd, verandert het bovenstaande niet. Ook de overige stukken die [appellante] heeft overgelegd ter onderbouwing van haar betoog dat een exploitatievergunning is aangevraagd, veranderen dat oordeel niet. De Afdeling komt, gelet op de inhoud van deze beoordeling, daarom ook niet toe aan het betoog van de burgemeester dat het relativiteitsvereiste aan een geslaagd beroep op artikel 4:13 van de Awb in de weg staat. [appellante] heeft verder geen gronden aangevoerd die gaan over de verlening van de alcoholvergunning.
Het betoog slaagt niet.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet, voor zover aangevallen, worden bevestigd.
5. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Soffner
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026
818-1166