Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202402047/1/R1

Uitspraak 202402047/1/R1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3959
Datum uitspraak
8 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 19 september 2023 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap AA en Maas het projectplan "Esperloop" vastgesteld. Het projectplan heeft betrekking op het plaatsen van een nieuwe stuw in de Esperloop. Het gaat om een handmatig te bedienen klepstuw in de watergang tussen de wegen Geneneind en Ven, ten noorden van de bebouwde kom van Bakel. [appellant] woont aan [locatie] in Bakel. Hij heeft landbouwgronden die grenzen aan de Esperloop. Die gronden liggen benedenstrooms van de locatie van de nieuwe stuw. Hij vreest dat de stuw tot waterlast op zijn gronden zal leiden.
  • Hoger beroep
  • Waterschapszaken

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202402047/1/R1.
Datum uitspraak: 8 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Bakel, gemeente Gemert-Bakel,
appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-­Brabant van 12 februari 2024 in zaak nrs. 23/2865 en 23/2866 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het waterschap Aa en Maas.

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2023 heeft het dagelijks bestuur het projectplan "Esperloop" vastgesteld.

Bij uitspraak van 12 februari 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en zijn verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 15 juni 2026 behandeld, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. E.H.J. van Laarhoven en ing. J. Jansen, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een ontwerp ter inzage is gelegd van een projectplan van een waterschap als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet, dan blijft op grond van artikel 4.62, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het projectplan onherroepelijk is.

Het ontwerpprojectplan is op 19 juni 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Waterwet en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het projectplan heeft betrekking op het plaatsen van een nieuwe stuw in de Esperloop. Het gaat om een handmatig te bedienen klepstuw in de watergang tussen de wegen Geneneind en Ven, ten noorden van de bebouwde kom van Bakel.

[appellant] woont aan [locatie] in Bakel. Hij heeft landbouwgronden die grenzen aan de Esperloop. Die gronden liggen benedenstrooms van de locatie van de nieuwe stuw. Hij vreest dat de stuw tot waterlast op zijn gronden zal leiden.

3. [appellant] heeft tegen het besluit van 19 september 2023 bij de rechtbank beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van [appellant] ongegrond verklaard en zijn verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

4. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Hoger beroep

5. [appellant] voert aan dat hij de uitnodiging voor de zitting bij de rechtbank op een onbehoorlijk moment heeft ontvangen. Verder maakt hij bezwaar tegen de afwijzing van zijn verzoek om een voorlopige voorziening en tegen de late ontvangst van de uitspraak.

5.1. Op grond van artikel 8:83, eerste lid, van de Awb moet een uitnodiging voor de zitting zo spoedig mogelijk na ontvangst van een verzoek om een voorlopige voorziening worden gedaan. Daarmee heeft [appellant] bij het indienen van een beroep met een voorlopige voorziening dus rekening moeten houden.

De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft [appellant] in een brief van 16 januari 2024 uitgenodigd voor de behandeling van zijn verzoek op de zitting van 29 januari 2024. In die brief is meegedeeld dat na de zitting ook op het beroep kan worden beslist. [appellant] is op de zitting verschenen.

De voorzieningenrechter heeft [appellant] dus op een juiste wijze uitgenodigd voor de zitting. Het betoog slaagt in zoverre niet.

5.2. De Awb voorziet niet in de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter op een verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Awb. Dit volgt uit artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb. De uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank is, voor zover deze gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening, een uitspraak als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Awb. De Afdeling is dan ook onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen, voor zover dat is gericht tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening. Dit betekent dat de Afdeling niet zal ingaan op wat [appellant] aanvoert over de afwijzing van dat verzoek.

5.3. [appellant] heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Dat hij de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank pas op 27 februari 2024 heeft ontvangen, zoals hij stelt, betekent niet dat die uitspraak onjuist is. In zoverre slaagt zijn betoog ook niet.

6. De gronden die [appellant] verder in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De voorzieningenrechter is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 9, 12 en 13 in de uitspraak van de rechtbank opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Ook op dit punt slaagt het hoger beroep dus niet.

7. De Afdeling ziet geen aanleiding om advies te vragen aan de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (de STAB), zoals [appellant] heeft voorgesteld.

Conclusie

8. Voor zover het hoger beroep gericht is tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, is de Afdeling onbevoegd om daarvan kennis te nemen.

Het hoger beroep is voor het overige ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank.

9. Het dagelijks bestuur hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen, voor zover dat is gericht tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank op het verzoek om een voorlopige voorziening;

II. bevestigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.

w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Visser
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026

148

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:83

1. Partijen worden zo spoedig mogelijk uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting te verschijnen.

[…].

Artikel 8:84

1. De voorzieningenrechter doet zo spoedig mogelijk schriftelijk of mondeling uitspraak.

[…].

Artikel 8:86

1. Indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

[…].

3. Partijen worden in de uitnodiging, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, gewezen op de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, en […].

Artikel 8:104

[…]

2. Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen:

[…]

d. een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid,

[…].


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon