Uitspraak BRS.26.001809
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3781
- Datum uitspraak
- 2 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 12 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.001809
ECLI:NL:RVS:2026:3781
Datum uitspraak: 2 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 3 april 2026 in zaak nr. NL25.44247 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 12 september 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 3 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1. De minister heeft de asielaanvraag van betrokkene, mede voor haar twee minderjarige kinderen, niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij internationale bescherming hebben in Italië. Betrokkene heeft sinds 2019 een verblijfsstatus in Italië. De minister heeft daarom aangenomen dat zij als statushouder een band heeft met dat land die maakt dat het redelijk is dat zij met haar kinderen daarheen teruggaat. Volgens de minister heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat Italië haar verdragsverplichtingen jegens haar niet nakomt en zij bij terugkeer naar Italië in een situatie terechtkomt die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest. De minister heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat betrokkene onvoldoende inspanningen heeft verricht om hulp in te roepen van de Italiaanse autoriteiten of de daartoe aangewezen instanties. Niet ter discussie staat dat betrokkene niet bijzonder kwetsbaar is als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Ibrahim, ECLI:EU:C:2019:219.
Hoger beroep
2. De minister klaagt in zijn enige grief over het oordeel van de rechtbank dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene in staat zal zijn om haar rechten als statushouder feitelijk te effectueren en zij bij terugkeer naar Italië geen reëel risico loopt om buiten haar eigen wil en keuzes om terecht te komen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie.
2.1. Onder verwijzing naar haar uitspraken van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1088, onder 6, en 15 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2384, onder 6 tot en met 6.3, leidt de Afdeling uit het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Ibrahim, ECLI:EU:C:2019:219, af dat de drempel voor een beroep op artikel 4 van het EU Handvest - dat gelijkstaat aan artikel 3 van het EVRM - onverminderd hoog blijft. Die drempel wordt bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een ‘toestand van zeer verregaande materiële deprivatie’, waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen, en waardoor zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid zou worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden. Als een statushouder in de lidstaat waar hem asiel is verleend, geen sociale ondersteuning krijgt of alleen ondersteuning krijgt die duidelijk beperkter is dan die in andere lidstaten, maar hij wel hetzelfde wordt behandeld als de eigen inwoners van die lidstaat, leidt dat op zichzelf niet tot het oordeel dat er een schending van artikel 4 van het EU Handvest is.
2.2. Betrokkene heeft verklaard dat zij tot aan haar vertrek uit Italië met de kinderen bij haar toenmalige partner heeft gewoond. Door problemen met haar partner heeft zij hem verlaten en is zij met de kinderen uit Italië vertrokken. Betrokkene heeft op een vraag van de minister laten weten dat zij in Italië geen hulp heeft gezocht voor de problemen met haar partner. Zij heeft verder verklaard dat zij in Italië heeft gewerkt, maar dat zij is ontslagen, omdat zij haar kind meenam naar haar werk. Ze heeft daarna nog wel naar werk gezocht, maar zij is daarmee gestopt na een advies om te wachten tot na haar tweede zwangerschap. Uit de verklaringen van betrokkene blijkt niet dat zij na haar tweede zwangerschap opnieuw naar werk heeft gezocht. Daarbij heeft betrokkene verklaard dat zij niet heeft geprobeerd om in Italië een uitkering aan te vragen, omdat zij volgens haar niet aan de vereisten voldeed. Wel heeft zij in Italië naar eigen zeggen kinderbijslag ontvangen. Ook heeft betrokkene verklaard altijd toegang te hebben gehad tot medische zorg. Ten slotte heeft zij verklaard in Italië nog een vriendin te hebben, bij wie zij, voorafgaand aan haar relatie met haar toenmalige partner, heeft gewoond.
2.3. De minister klaagt terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij zijn standpunt dat betrokkene in Italië onvoldoende inspanningen heeft verricht om de aan haar toekomende rechten te effectueren, niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De Afdeling legt dat hierna uit.
2.4. De Afdeling onderkent dat betrokkene als alleenstaande moeder met twee minderjarige kinderen geen makkelijke positie heeft in Italië en dat het vinden van werk met twee minderjarige kinderen lastig kan zijn. De minister voert echter terecht aan dat het in de eerste plaats aan betrokkene is om haar rechten in Italië te effectueren. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 3 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1877, onder 2.
2.5. Betrokkene heeft echter niet bij de Italiaanse autoriteiten geklaagd over haar situatie of aannemelijk gemaakt dat klagen bij voorbaat kansloos is. Betrokkene heeft bijvoorbeeld geen hulp gezocht nadat zij bij haar partner is weggegaan. Betrokkene heeft verklaard dat zij niet naar de Italiaanse autoriteiten durfde te gaan door een vloek die over haar is uitgesproken. Deze vloek staat echter los van de problemen die betrokkene met haar partner had. De minister mocht daarom van haar verwachten dat zij zich tot de Italiaanse autoriteiten of hulpinstanties zou wenden. Verder blijkt uit de verklaringen van betrokkene ook niet dat zij heeft geprobeerd om na haar zwangerschap opnieuw werk te vinden of opvang voor haar kinderen te krijgen.
2.6. De minister klaagt verder terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene zich voor financiële ondersteuning tot de Italiaanse autoriteiten kan wenden. Weliswaar blijkt uit de door de rechtbank betrokken AIDA Country Reports van 2023 en 2024 dat voor statushouders voor het verkrijgen van inkomensondersteuning geldt dat zij tien jaar in Italië moeten verblijven. Echter, in het rapport uit 2024 staat ook dat er vormen van inkomensondersteuning beschikbaar zijn voor statushouders die nog maar vijf jaar rechtmatig verblijf hebben. Dat is het geval voor betrokkene. Uit de verklaringen van betrokkene volgt niet dat zij tevergeefs van deze ondersteuning gebruik heeft proberen te maken. Zij heeft namelijk alleen verklaard dat zij geen acties heeft ondernomen om een uitkering te krijgen, omdat zij volgens haar toch al wist dat zij niet aan de vereisten voldeed.
2.7. De minister heeft zich, kortom, terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar situatie in Italië in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:265, onder 2.9 en 2.11. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De grief slaagt.
Conclusie
3. Het hoger beroep is gegrond. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Er zijn geen beroepsgronden die de Afdeling na de overwegingen in hoger beroep nog moet bespreken. Het beroep is alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 3 april 2026 in zaak nr. NL25.44247;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. V.V. Essenburg en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026
977