Uitspraak BRS.26.003043
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3793
- Datum uitspraak
- 3 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 14 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid, afgewezen.
- Voorlopige voorziening
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.003043
ECLI:NL:RVS:2026:3793
Datum uitspraak: 3 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 juni 2026 in zaak nr. NL26.8753 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 juli 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid, afgewezen.
Bij besluit van 2 februari 2026 heeft de minister het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat hij wordt behandeld alsof de geldigheidsduur van de aan hem verleende vergunning is verlengd en dat hij niet wordt uitgezet, totdat op het hoger beroep is beslist.
2. Gelet op wat is aangevoerd treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker wordt behandeld alsof de geldigheidsduur van de aan hem verleende vergunning is verlengd en dat hij niet wordt uitgezet, totdat op het hoger beroep is beslist;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat de minister van Asiel en Migratie aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening betaalde griffierecht ten bedrage van € 289,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzieningenrechter
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026
977