Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202506059/1/R4

Uitspraak 202506059/1/R4

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3950
Datum uitspraak
8 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 5 november 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam zijn beslissing om op 27 oktober 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 en het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen Rotterdam 2018 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 192,00, voor rekening van [appellant] komen. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos, die op 27 oktober 2025 is aangetroffen naast de ondergrondse afvalcontainer ter hoogte van de Ruigenhoek in Rotterdam. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de kartonnen doos verkeerd heeft aangeboden, omdat er op de doos een adreslabel staat met daarop zijn naam en adresgegevens. De afvalcontainer bevindt zich op een afstand van ongeveer 17 kilometer van het woonadres van [appellant].
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202506059/1/R4.
Datum uitspraak: 8 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht Awb )in het geding tussen:

[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2025 heeft het college zijn beslissing om op 27 oktober 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 en het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen Rotterdam 2018 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 192,00, voor rekening van [appellant] komen.

Bij besluit van 27 november 2025 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

1.       De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos, die op 27 oktober 2025 is aangetroffen naast de ondergrondse afvalcontainer ter hoogte van de Ruigenhoek in Rotterdam. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de kartonnen doos verkeerd heeft aangeboden, omdat er op de doos een adreslabel staat met daarop zijn naam en adresgegevens. De afvalcontainer bevindt zich op een afstand van ongeveer 17 kilometer van het woonadres van [appellant].

2.       [appellant] betoogt dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Hij voert aan dat het enkel herleiden van de aangetroffen kartonnen doos tot zijn naam-, adres- en woonplaatsgegevens onvoldoende is om vast te stellen dat hij het afval onjuist ter inzameling heeft aangeboden. Volgens hem handelt het college daarmee in strijd met de artikelen 3:2, 5:25 en 7:12 van de Awb. Verder noemt hij drie uitspraken van de Afdeling, namelijk de uitspraken van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:728, 27 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2055 en 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2196. [appellant] stelt dat hij destijds niet in Rotterdam is geweest en niet weet hoe de kartonnen doos op die plaats terecht is gekomen. Volgens hem bestaat een plausibel alternatief scenario, zodat de herleidbaarheid van het afval onvoldoende is om hem als overtreder aan te merken. Verder stelt hij dat volgens vaste jurisprudentie de bewijslast ligt bij het bestuursorgaan.

3.       Artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 houdt in dat huishoudelijke afvalstoffen alleen ter inzameling mogen worden aangeboden via de daarvoor aangewezen inzamelvoorziening, het daarvoor aangewezen inzamelmiddel of het daarvoor aangewezen brengdepot.

Artikel 6, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit afvalstoffen Rotterdam 2018 houdt in dat het verboden is afvalstoffen naast de inzamelvoorziening te plaatsen.

4.       Indien verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden, bijvoorbeeld door middel van een daarin aangetroffen poststuk, mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter  inzameling is aangeboden en dat hij derhalve de overtreder is (hierna: het bewijsvermoeden). Voor het mogen hanteren van dit bewijsvermoeden is voldoende dat in het afval één tot de betrokkene te herleiden poststuk is aangetroffen. Dat vermoeden kan worden weerlegd, waarbij geen onomstotelijk tegenbewijs wordt gevraagd. Dat kan een betrokkene bijvoorbeeld doen door het geven van een concrete, gedetailleerde, logische en met objectieve omstandigheden onderbouwde verklaring voor het, zonder zijn toedoen, belanden van de aangetroffen afvalstoffen op die plek. Ook zou een betrokkene met objectieve omstandigheden aannemelijk kunnen maken dat hij niet in de gelegenheid was om de aangetroffen afvalstoffen op die plek achter te laten. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.

4.1.    Hoewel de verkeerd aangeboden doos op een afstand van 17 kilometer van het woonadres is aangetroffen en daarmee het vermoeden eerder ontkracht zou kunnen worden dan in andere situaties, heeft [appellant] geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan eraan kan worden getwijfeld dat hij degene is geweest die de kartonnen doos onjuist ter inzameling heeft aangeboden. [appellant] heeft geen plausibele verklaring gegeven voor de aanwezigheid van de doos op die plaats. Hij stelt echter enkel dat hij destijds niet in Rotterdam aanwezig is geweest en niet weet hoe de kartonnen doos op die plaats terecht is gekomen. Hij heeft dat verder niet in het minst nader geconcretiseerd of met objectieve omstandigheden onderbouwd. Daarmee heeft hij geen concrete verklaring gegeven op grond waarvan aannemelijk is dat de kartonnen doos buiten zijn toedoen naast de container is terechtgekomen. Ook zijn verwijzing naar de door hem genoemde uitspraken van de Afdeling leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling is van oordeel dat die uitspraken, zoals het college in het verweerschrift terecht heeft gesteld, volstrekt andere gevallen betreffen dan hier aan de orde. Het gaat daarin over een verleende urgentieverklaring, een verzoek op grond van de toenmalige Wet openbaarheid van bestuur en vreemdelingenrechtelijke besluiten. Voor het volgen van de stelling van [appellant] dat het college heeft gehandeld in strijd met de artikelen 3:2, 5:25 en 7:12 van de Awb, bestaat geen grond. Nu op de doos naam-, adres- en woonplaatsgegevens van [appellant] zijn aangetroffen en hij het daaruit voortvloeiende bewijsvermoeden niet heeft weerlegd, mocht het college hem als overtreder aanmerken.

Het betoog slaagt niet.

5.       Het beroep is ongegrond.

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Sparreboom
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026

195


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon