Uitspraak BRS.26.002057
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3738
- Datum uitspraak
- 1 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 27 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.002057
ECLI:NL:RVS:2026:3738
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 17 april 2026 in zaak nr. NL26.18807 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 maart 2026 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 17 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D. van Elp, advocaat in Lelystad, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. In de grieven 3 en 4 komt appellant op tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister de grensdetentie tijdig heeft opgeheven. Hij wijst erop dat de minister de grensdetentie op 10 april 2026 heeft opgeheven en niet op 9 april 2026, zoals de rechtbank heeft overwogen. Hij voert onder andere aan dat dit te laat is, omdat de opheffing niet heeft plaatsgevonden binnen 48 uur na aanvang van het nader gehoor en ook niet binnen 48 uur na de afronding van het nader gehoor.
Een termijn van 48 uur?
1.1. De Afdeling stelt voorop dat zij de overweging van de rechtbank dat de minister binnen 48 uur na de afronding van het nader gehoor moet beslissen of de asielaanvraag verder kan worden behandeld in de grensprocedure, niet volgt. Het is mogelijk dat de rechtbank zich baseert op de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:315. In deze uitspraak oordeelde de Afdeling dat de minister binnen een redelijke termijn na het nader gehoor had beslist om de behandeling van de aanvraag voort te zetten in de grensprocedure, door dat op de tweede dag na het nader gehoor te doen. Maar daaruit kan geen algemene regel worden afgeleid dat de minister zo’n beslissing binnen 48 uur na afronding van het nader gehoor moet nemen. De Afdeling wijst in dit verband ook op haar uitspraak van 3 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1843, waarin zij oordeelde dat de minister de grensdetentie tijdig had opgeheven op de derde dag na het nader gehoor.
Heeft de minister de grensdetentie te laat opgeheven?
1.2. Het dossier bevat een opheffingsdocument (M113) van 9 april 2026, waarin staat dat de minister heeft besloten de grensdetentie op die dag op te heffen, omdat de asielaanvraag van appellant zich niet leent voor behandeling in de grensprocedure. Appellant heeft in hoger beroep een e-mail afkomstig van het adres van het Justitieel Complex Schiphol van 10 april 2026 overgelegd, waarin staat dat de grensdetentie op die dag zal worden opgeheven. Een vereiste voor grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 is dat nog niet is gebleken dat de aanvraag zich niet leent voor behandeling in de grensprocedure. Uit het opheffingsdocument volgt dat sinds 9 april 2026 niet meer aan dit vereiste werd voldaan. Omdat de minister de grensdetentie niet op die dag heeft opgeheven, was deze daarom vanaf die dag onrechtmatig.
1.3. De grieven slagen. De reden daarvoor is niet dat de minister de grensdetentie niet binnen 48 uur na het aanmeldgehoor heeft opgeheven, maar dat vanaf 9 april 2026 niet meer aan een van de vereisten voor grensdetentie werd voldaan.
2. Wat appellant voor het overige aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Er zijn geen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist. De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de grensdetentie vanaf een eerdere datum dan 9 april 2026 onrechtmatig te achten. Het beroep is gegrond. Omdat de grensdetentie al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan appellant toe. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 17 april 2026 in zaak nr. NL26.18807;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. kent aan appellant een vergoeding toe van € 240,00 over de periode van 9 april 2026 tot en met 10 april 2026, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. V.V. Essenburg en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzitter
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
1020