Uitspraak 202404468/1/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3809
- Datum uitspraak
- 1 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 30 mei 2024 heeft de raad van de gemeente Zeewolde het bestemmingsplan "Zeewolde - Bosruiterweg 14" vastgesteld. Het plan maakt op het perceel Bosruiterweg 14 de tijdelijke huisvesting van maximaal 1.000 internationale werknemers mogelijk, waarbij voor die huisvesting een maximale verblijfsduur van twaalf maanden geldt. Het plan maakt het mogelijk om binnen het plangebied gebouwen en overkappingen van ten hoogste 3 m te realiseren, al dan niet in combinatie met bijbehorende voorzieningen zoals een receptie en recreatieve en educatieve voorzieningen. Buitenplaats Horsterwold is een park dat bestaat uit recreatiewoningen aan de Bosruiterweg 25‑31. Het park ligt op ongeveer 500 m afstand hemelsbreed ten noordoosten van het plangebied. De vereniging behartigt de belangen van eigenaren van gronden in het park. [appellant B], [appellant A] en [appellant C] zijn eigenaren van woningen in het park. De vereniging en [appellant B], [appellant A] en [appellant C] (de vereniging en anderen) vrezen voor negatieve ruimtelijke gevolgen in de directe omgeving van het park door het plan.
- Eerste aanleg - meervoudig
- RO - Flevoland
Toon inhoud
202404468/1/R1.
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
Vereniging van Eigenaren Buitenplaats Horsterwold, gevestigd in Zeewolde, en anderen,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Zeewolde,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 30 mei 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Zeewolde - Bosruiterweg 14" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben de vereniging en anderen beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 7 april 2026, waar de vereniging en anderen, vertegenwoordigd door [appellant A] en mr. K.T.E. Huisman, advocaat in Nijmegen en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.Th. Vos, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 20 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan maakt op het perceel Bosruiterweg 14 de tijdelijke huisvesting van maximaal 1.000 internationale werknemers mogelijk, waarbij voor die huisvesting een maximale verblijfsduur van twaalf maanden geldt. Het plan maakt het mogelijk om binnen het plangebied gebouwen en overkappingen van ten hoogste 3 m te realiseren, al dan niet in combinatie met bijbehorende voorzieningen zoals een receptie en recreatieve en educatieve voorzieningen. Binnen het bouwvlak bedraagt de hoogte van een gebouw maximaal 10 m, tenzij een afwijkende maximale hoogte is aangegeven. Buiten het bouwvlak kunnen maximaal tien gebouwen worden gerealiseerd, waarbij de gezamenlijke oppervlakte ten hoogste 4.500 m2 bedraagt en per gebouw tussen de 350 m2 en 450 m2. Deze gebouwen zijn maximaal 10 m hoog.
3. Op het moment van de vaststelling van het plan werd het perceel op grond van een tijdelijke omgevingsvergunning gebruikt voor de huisvesting van internationale werknemers in stacaravans. Epe Onroerend Goed B.V. is de initiatiefnemer van het plan.
4. Buitenplaats Horsterwold is een park dat bestaat uit recreatiewoningen aan de Bosruiterweg 25‑31. Het park ligt op ongeveer 500 m afstand hemelsbreed ten noordoosten van het plangebied. De vereniging behartigt de belangen van eigenaren van gronden in het park. [appellant B], [appellant A] en [appellant C] zijn eigenaren van woningen in het park. De vereniging en [appellant B], [appellant A] en [appellant C] (de vereniging en anderen) vrezen voor negatieve ruimtelijke gevolgen in de directe omgeving van het park door het plan.
Toetsingskader
5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Behandeling zienswijze en bekendmaking
6. De vereniging en anderen betogen dat de raad in de nota van zienswijzen onvoldoende is ingegaan op hun zienswijze. Zij wijzen er daarbij op dat niet is ingegaan op de argumenten die zij mondeling naar voren hebben gebracht tijdens een raadsvergadering over het bestemmingsplan. Zij voelen zich daarom niet gehoord. Zij brengen verder naar voren dat zij zich herhaaldelijk hebben verzet tegen de huisvesting van internationale werknemers op de betrokken locatie en dat hun bezwaren daarover in het verleden telkens door het gemeentebestuur zijn afgewezen met het argument dat het slechts een tijdelijke situatie betrof. De vereniging en anderen wijzen erop dat door het plan de tijdelijkheid van de huisvesting op de betrokken locatie wordt losgelaten, zonder dat hieraan een deugdelijke belangenafweging ten grondslag ligt waarbij ook rekening is gehouden met hun belangen.
De vereniging en anderen betogen verder dat zij ten onrechte in strijd met artikel 3:43, eerste lid, van de Awb geen bericht hebben gehad over het besluit tot vaststelling van het plan.
6.1. In de nota van zienswijzen is door de raad ingegaan op de naar voren gebrachte zienswijzen. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Voor een voldoende motivering is het niet nodig dat op elk argument afzonderlijk wordt ingegaan.
De Afdeling overweegt dat de raad heeft toegelicht dat een concept van de nota van zienswijzen bij het raadsvoorstel was gevoegd en dat wat mondeling naar voren is gebracht tijdens die raadsvergadering, geen nieuwe feiten en omstandigheden bevatte dat aanleiding gaf tot wijziging van dit concept. De raad heeft vervolgens het plan met een ten opzichte van het concept ongewijzigde nota van zienswijzen vastgesteld. De vereniging en anderen hebben niet concreet gemaakt op welke argumenten de raad in de nota van zienswijzen volgens hen niet is ingegaan. Voor zover de vereniging en anderen stellen dat sprake is van een ondeugdelijke belangenafweging waarbij hun belangen onvoldoende zijn meegewogen, zal de Afdeling hierna aan de hand van de beroepsgronden van de vereniging en anderen beoordelen of de raad hun belangen op deugdelijke wijze bij de vaststelling van het plan heeft betrokken.
Over het betoog van de vereniging en anderen dat de raad in strijd met artikel 3:43, eerste lid, van de Awb geen mededeling aan hen heeft gedaan over de bekendmaking van het bestreden besluit, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond gaat over een op zichzelf betreurenswaardige onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en deze reeds daarom de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten. De onregelmatigheid, waarvan overigens niet is gebleken dat appelanten daardoor onevenredig nadeel hebben ondervonden, kan geen reden zijn voor de vernietiging van het bestreden besluit.
Het betoog slaagt niet.
Plangrens
7. De vereniging en anderen betogen dat de gekozen planbegrenzing in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens hen zijn de percelen Bosruiterweg 14 en Bosruiterweg 16 onlosmakelijk met elkaar verbonden en had het perceel Bosruiterweg 16, waarop een asielzoekerscentrum (azc) is gevestigd, daarom bij het plan moeten worden betrokken. Nu dat niet is gedaan, kan volgens hen de totale ruimtelijke impact van het azc en de huisvesting van internationale werknemers samen niet volledig in kaart worden gebracht. Zij wijzen er daarbij verder op dat de percelen toebehoren aan dezelfde eigenaar en dat deze ook visueel bij elkaar horen.
7.1. De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte is echter niet zo groot dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Op het perceel Bosruiterweg 16 was op het moment van de vaststelling van het plan een azc gevestigd op basis van een tijdelijke omgevingsvergunning met een termijn tot en met 19 november 2025, zo staat in paragraaf 1.1. van de plantoelichting. Na ommekomst van de termijn van de tijdelijke omgevingsvergunning, zal volgens de plantoelichting, op dat perceel opnieuw een azc in gebruik worden genomen, gelet op de grote vraag naar opvangmogelijkheden voor asielzoekers.
Over de stelling van de vereniging en anderen dat het vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk is de ontwikkelingen op de percelen Bosruiterweg 14 en Bosruiterweg 16 integraal te beoordelen, overweegt de Afdeling dat het aan de raad is om de gevolgen bij de vaststelling van het bestemmingsplan te onderzoeken en te beoordelen of die mogelijke gevolgen aanvaardbaar zijn uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Die beoordeling kan naar het oordeel van de Afdeling ook plaatsvinden zonder het beoogde gebruik van de gronden ten behoeve van een azc op Bosruiterweg 16 binnen de grenzen van het plangebied te brengen, wat de raad ook stelt te hebben gedaan. Verder heeft de raad uiteengezet dat de percelen weliswaar aan dezelfde eigenaar toebehoren, maar dat de locaties in organisatorische zin van elkaar gescheiden zijn en dat er ook geen voorzieningen worden gedeeld. De raad heeft er daarbij op gewezen dat op een aantal locaties op de grens van beide percelen sprake is van een fysieke scheiding door middel van een hekwerk. Gelet hierop is evenmin gebleken van een zodanige samenhang tussen het plangebied en het azc dat de raad de begrenzing van dit plangebied niet zo heeft kunnen vaststellen en de gronden van het azc bij het voorliggende bestemmingsplan had moeten betrekken.
Gelet op wat de vereniging en anderen hebben aangevoerd is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing een goede ruimtelijke ordening dient.
Het betoog slaagt niet.
Handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid planregels
8. De vereniging en anderen betogen dat artikelen 3.3.1, aanhef en onder a en b, van de planregels niet handhaafbaar zijn. Met die artikelen heeft de raad beoogd te regelen dat in het plangebied maximaal 1.000 internationale werknemers gehuisvest mogen worden, waarbij de huisvesting van een werknemer niet langer mag duren dan twaalf maanden. Zij wijzen er in dat kader op dat niet geregeld is op welke wijze wordt gecontroleerd hoeveel personen er in de gebouwen zijn gehuisvest en of er daarin langer dan twaalf maanden wordt verbleven. Ook is niet duidelijk wat de consequenties zijn als een werknemer wel langer dan twaalf maanden in de voorziene gebouwen woont. Verder voeren de vereniging en anderen aan dat het niet aannemelijk is dat door internationale werknemers na afloop van de toegestane twaalf maanden elders woonruimte wordt gevonden, gelet op de huidige situatie op de woningmarkt. In zoverre zijn de planregels volgens hen niet uitvoerbaar.
8.1. Artikel 3.3.1, van de planregels, luidt:
"Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:
a. het gebruik van gebouwen voor de huisvesting van meer dan 1.000 tijdelijke internationale werknemer(s);
b. het gebruik van gebouwen voor de tijdelijke huisvesting van internationale werknemer(s) voor een periode langer dan 12 maanden;"
c. het gebruik en inrichting van de gebouwen als zelfstandige woonruimte;
[…]".
8.2. Een bestemmingsregeling waarvan de handhaafbaarheid bij voorbaat al moet worden betwijfeld, is in strijd met een goede ruimtelijke ordening (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 2 oktober 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE8254, r.o. 2.14.3 en 1 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4649, r.o. 8). De Afdeling overweegt dat artikel 3.3.1, aanhef en onder a, en b, van de planregels, concreet geformuleerde normen bevatten. In wat is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in het kader van handhaving niet kan worden onderzocht of deze normen worden overschreden. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de raad heeft toegelicht dat het college het toegestane maximum aantal personen en de maximale verblijfsduur van elk van die personen zal controleren en dat hierover met de initiatiefnemer afspraken zijn gemaakt die zijn vastgelegd in een convenant, waaronder de afspraak dat de initiatiefnemer periodiek (één keer per maand) gegevens verstrekt over het nachtverblijf. In het aangevoerde ziet de Afdeling dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand duidelijk is dat het bestemmingsplan niet uitvoerbaar is, omdat de tijdelijkheid van de bewoning niet kan worden gehandhaafd.
In de omstandigheid dat het volgens de vereniging en anderen gelet op de huidige situatie op de woningmarkt niet aannemelijk is dat er elders woonruimte wordt gevonden en dat daardoor het risico ontstaat dat personen langer dan twaalf maanden op de betrokken locatie zullen verblijven, ziet de Afdeling evenmin onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de planregels in zoverre niet uitvoerbaar zijn.
Het betoog slaagt niet.
Parkeren
9. De vereniging en anderen betogen dat het plan leidt tot onaanvaardbare parkeeroverlast. Volgens hen is de raad bij het berekenen van de parkeerbehoefte van het plan uitgegaan van een te lage parkeernorm. Zij voeren aan dat in de bestaande situatie al sprake is van overlast, omdat er in de berm van de Bosruiterweg en in de bospaden in de omgeving wordt geparkeerd.
9.1. Artikel 3.1 van de planregels luidt:
"De voor ‘Wonen - Tijdelijke huisvesting werknemers’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. gebouwen en overkappingen ten behoeve van tijdelijke huisvesting van internationale werknemer(s), al dan niet in combinatie met bijbehorende voorzieningen zoals een receptie en recreatieve en educatieve voorzieningen;
met daarbij behorende:
[…];
d. parkeervoorzieningen;
[…]."
9.2. In de CROW-publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" (CROW-publicatie) zijn geen parkeernormen opgenomen voor huisvesting van internationale werknemers. Om de parkeerbehoefte te bepalen, heeft de raad volgens paragraaf 4.2 van de plantoelichting een norm van 0,5 parkeerplaats per internationale werknemer gehanteerd. Volgens de plantoelichting zijn in de toekomstige situatie bij het realiseren van 1.000 logiesplekken, bij het toepassen van deze norm 500 parkeerplaatsen benodigd. De raad heeft in het verweerschrift over de gehanteerde parkeernorm toegelicht dat in 2012 onderzoek is gedaan naar een parkeernorm voor huisvesting van internationale werknemers. Daaruit volgt dat 240 parkeerplaatsen vereist zijn voor 600 personen, wat neerkomt op een parkeernorm van 0,4 per internationale werknemer. Deze parkeernorm sluit volgens de raad aan bij de parkeernorm die door de CROW voor kamerverhuur wordt aanbevolen. De raad heeft er verder op gewezen dat in het voorliggende plan de parkeernorm per internationale werknemer is opgehoogd naar 0,5. Gelet op het gegeven dat sprake is van logiesplekken, ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet van deze parkeernorm heeft mogen uitgaan.
Voor zover in de berm van de Bosruiterweg of op bospaden in de omgeving wordt geparkeerd, is dat een kwestie van handhaving die in deze procedure niet aan de orde kan komen.
Het betoog slaagt niet.
9.3. Bij het onder 9.2 gegeven oordeel laat de Afdeling in het midden of het betoog van de vereniging en anderen, gelet op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb en de niet geringe afstand tussen het plangebied en Buitenplaats Horsterwold, kan leiden tot vernietiging van het plan.
Verkeersveiligheid en geluid door verkeer
10. De vereniging en anderen betogen dat het plan zal leiden tot onaanvaardbare verkeershinder. Zij stellen dat er te hard en onveilig wordt gereden. Zij vrezen verder voor geluidsoverlast door het verkeer van en naar het plangebied. In dat kader vrezen zij in het bijzonder voor een verkeerstoename in de nachtelijke uren. Ook stellen zij dat het aan het plan ten grondslag gelegde verkeersonderzoek verouderd is.
10.1. Aan de hand van het rapport "verkeersontsluiting De Bosruiter" (het verkeersonderzoek) van RhO Adviseurs van 2 november 2018 worden in paragraaf 4.2 van de plantoelichting de verkeersaspecten van het plan beschreven. Het verkeersonderzoek als zodanig is als bijlage 1 bij de plantoelichting gevoegd. In het verkeersonderzoek staat dat het plan zal leiden tot 1.559 mvt/etmaal extra op de Bosruiterweg en dat de capaciteit van de weg hierdoor niet wordt overschreden. Ook bij de rotonde ten noorden van het plangebied kan het verkeer volgens het verkeersonderzoek goed worden afgewikkeld. De conclusie is dat het omliggende wegennet van voldoende omvang is om de verwachte toename van verkeer op verkeersveilige wijze af te wikkelen.
De vereniging en anderen hebben geen feiten en omstandigheden aangedragen op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het verkeersonderzoek zodanig is verouderd of anderszins onjuist is dat getwijfeld moet worden aan de representativiteit en de conclusies ervan. Tijdens de zitting hebben de vereniging en anderen nader toegelicht dat zij vooral overlast ervaren door gevaarlijk rijgedrag. Hoewel de Afdeling, uitgaand van de juistheid van die beschrijving, begrijpt dat bepaald rijgedrag als onveilig en storend kan worden ervaren, overweegt de Afdeling dat dit een kwestie is van handhaving van de verkeersregels, dan wel een nadere al dan niet op de Wegenverkeerswet gebaseerde aanpassing van de inrichting van de Bosruiterweg vereist, die in deze procedure niet aan de orde kan komen.
Wat betreft het geluid van het wegverkeer in de plansituatie wordt in paragraaf 4.3.2 van de plantoelichting verwezen naar het rapport "Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai huisvesting tijdelijke arbeidsmigranten en asielzoekerscentrum aan de Bosruiterweg te Zeewolde" (het geluidsonderzoek) van 10 oktober 2022, uitgevoerd door Alcedo B.V. Het geluidsonderzoek is als bijlage 3 bij de plantoelichting gevoegd. De conclusie van het geluidsonderzoek is dat met uitzondering van één woning, bij alle woningen de voorkeursgrenswaarden uit de Wet geluidhinder bij Buitenplaats Horsterwold niet worden overschreden. Gelet hierop heeft de raad ervan uit mogen gaan dat het plan in zoverre in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Het betoog slaagt niet.
Natuurnetwerk Nederland
11. De vereniging en anderen voeren aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan op het gebied Horsterwold dat onderdeel is van het Natuurnetwerk Nederland. Zij voeren aan dat niet is gebleken dat stikstofonderzoeken dan wel -berekeningen zijn uitgevoerd. Verder wijzen zij erop dat sprake is van een nieuwe planologische situatie, zodat de raad gehouden is onderzoek te verrichten naar de gevolgen van het plan voor het Natuurnetwerk Nederland. De vereniging en anderen achten in dit kader de voorwaardelijke verplichting die is opgenomen in artikel 3.2.1 van de planregels, in samenhang met het inrichtingsplan dat als bijlage 1 bij de planregels is gevoegd, ontoereikend om te garanderen dat het plan leidt tot versterking van de natuur binnen het plangebied, dan wel dat de voorziene ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de natuur in het Horsterwold in de directe omgeving van het plangebied.
11.1. Artikel 7.5 van de Omgevingsverordening Flevoland, zoals die gold ten tijde van belang, luidt:
"1. Een ruimtelijk plan of besluit, voor zover het betrekking heeft op een gebied binnen of nabij de aangewezen het Natuurnetwerk Nederland:
a. strekt mede tot bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied;
b. maakt activiteiten alleen mogelijk als die ten opzichte van het ten tijde van de inwerkingtreding van deze titel van de verordening geldende bestemmingsplan, mits die per saldo niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden.
11.2. Artikel 3.2.1 van de regels van het plan luidt:
"De omgevingsvergunning voor de in lid 3.2.2 toegestane gebouwen en overkappingen, wordt uitsluitend verleend indien de situering van de gebouwen en overkappingen passend is binnen de uitgangspunten van het inrichtingsplan, zoals opgenomen in bijlage 1."
11.3. Uit paragraaf 3.2.3 van de plantoelichting volgt dat het plan is getoetst aan artikel 7.5 van de Omgevingsverordening. Volgens de plantoelichting wordt met dit plan gebruikgemaakt van een terrein dat sinds 2015 volledig is ingericht ten behoeve van huisvesting en verandert deze situatie door het plan niet. Het is verder volgens de plantoelichting niet noodzakelijk om het betrokken terrein uit te breiden. De kenmerken van het natuurgebied worden niet aangetast door de onderhavige ontwikkeling. Verder draagt de ontwikkeling bij aan de versterking van de natuurwaarden, door het uitvoeren van het landschappelijk inpassingsplan.
Daarnaast is in paragraaf 4.8 van de plantoelichting toegelicht dat vanwege de ligging, het huidige gebruik en de afstand tot natuurgebieden directe negatieve gevolgen zoals areaalverlies en versnippering op voorhand zijn uitgesloten. Ook staat in de plantoelichting dat de voorziene ontwikkeling niet leidt tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van dit gebied. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden, kunnen volgens de plantoelichting ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten.
11.4. De raad heeft toegelicht dat er in het kader van eerdere vergunningverlening voor de huisvesting van internationale werknemers op het betrokken perceel, onderzoek is uitgevoerd naar de effecten op het omliggende Natuurnetwerk Nederland en dat de conclusie destijds was dat de wezenlijke kenmerken en waarden van het Horsterwold door deze huisvesting niet worden aangetast. Dit standpunt is door de vereniging en anderen niet bestreden. De raad heeft er verder op gewezen dat de in het plan voorziene ontwikkeling binnen de contouren blijft van het betrokken perceel en dat door die ontwikkeling ruimte ontstaat om de natuur binnen het plangebied te versterken.
De raad heeft tevens verwezen naar het aan het plan grondslag gelegde stikstofonderzoek, en stelt dat stikstof geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
11.5. Uit het voorgaande volgt dat de raad onderzoek heeft verricht naar de gevolgen van het plan voor het Natuurnetwerk Nederland. Daarbij komt dat uit het aan het plan ten grondslag gelegde stikstofonderzoek naar voren komt dat stikstof geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. De vereniging en anderen hebben niet geconcretiseerd waarom de raad zich niet op dit stikstofonderzoek had mogen baseren. Gelet op de door de raad hiervoor onder 11.4 weergegeven toelichting, ziet de Afdeling in wat is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Horsterwold als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland tot gevolg heeft. Gelet hierop biedt wat is aangevoerd door de vereniging en anderen geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad het bestemmingsplan in strijd met artikel 7.5 van de Omgevingsverordening Flevoland heeft vastgesteld.
Het betoog slaagt niet.
Rioolaansluiting
12. De vereniging en anderen betogen dat een evidente privaatrechtelijke belemmering aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Zij wijzen erop dat voor de afvoer van het huishoudelijk afvalwater vanuit het plangebied gebruik wordt gemaakt van een persleiding die in eigendom is van de vereniging. Volgens de vereniging en anderen ervaren zij steeds meer problemen door het intensieve gebruik van deze persleiding, wat resulteert in meer onderhoudskosten en meer defecten. Hierbij komt volgens de vereniging en anderen dat zij al jaren trachten met de eigenaren van de percelen Bosruiterweg 14 en 16 tot afspraken te komen, maar dat dit tot op heden niet gelukt is. Als deze problemen aanhouden zal volgens de vereniging en anderen de aansluiting van het plangebied op de persleiding ontkoppeld moeten worden, waardoor er in het plangebied geen aansluiting meer is op het riool. Gelet hierop stellen de vereniging en anderen dat door het ontbreken van een deugdelijke rioolaansluiting, sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering in die zin dat de voorziene gebouwen niet met riolering in gebruik genomen kunnen worden.
12.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bestaat voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling van een bestemmingsplan in de weg staat, alleen aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De Afdeling verwijst in dit kader naar haar uitspraak van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9957. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor het uitvoeren van een activiteit de toestemming van een ander vereist is en die ander die toestemming niet geeft en ook niet hoeft te geven. Vast staat dat de persleiding in eigendom is van de vereniging en het plangebied via die persleiding is aangesloten op het riool. In de enkele omstandigheid dat de persleiding in eigendom is van de vereniging en dat onderling overleg nog niet tot overeenstemming heeft geleid, ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Daargelaten of niet alsnog tot overeenstemming kan worden gekomen over de onderhoudskosten van de persleiding, is niet gebleken dat niet op een andere wijze alsnog kan worden voorzien in de afvoer van het afvalwater van het plangebied.
Het betoog slaagt niet.
Toename van bebouwing
13. De vereniging en anderen betogen dat het plan leidt tot een grote en ingrijpende toename van bebouwing. De raad heeft volgens hen onvoldoende onderbouwd waarom in het plan meer oppervlakte aan bebouwing wordt toegestaan dan de toegestane maximale oppervlakte aan bebouwing op grond van een wijzigingsbevoegdheid in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2016".
13.1. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Vast staat dat er vanaf Buitenplaats Horsterwold in het geheel geen zicht bestaat op het plangebied. In die zin heeft de toename aan bebouwing geen visuele gevolgen voor de vereniging en anderen. Op de ruimtelijke gevolgen van de gebruiksmogelijkheden die het plan mogelijk maakt is hiervoor ingegaan. Verder is de Afdeling niet gebleken dat de vereniging en anderen andere nadelige ruimtelijke gevolgen kunnen ondervinden door de enkele toename aan bebouwing in het plangebied, gelet op de afstand tussen het plangebied en het park. De Afdeling ziet in de belangen van de vereniging en anderen geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege de voorziene toename aan bebouwing, het plan niet kon vaststellen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond.
15. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. E.A.M. Minderhoud en mr. C.H. Bangma, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Tieleman, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Tieleman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
817-1036
Bestemmingsplan voor tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten in Zeewolde
Uitspraak over het bestemmingsplan ‘Bosruiterweg 14’ dat de gemeenteraad van Zeewolde heeft vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt op deze locatie aan de Bosruiterweg de tijdelijke huisvesting mogelijk van maximaal 1.000 internationale werknemers, voor een periode van maximaal twaalf maanden. De gemeente wil daarvoor dertien identieke logiesgebouwen bouwen, die bestaan uit drie bouwlagen met een maximale hoogte van tien meter. Buitenplaats Horsterwold is een park met recreatiewoningen aan de Bosruiterweg en ligt zo’n vijfhonderd meter van de locatie waar de gemeente de internationale werknemers tijdelijk wil huisvesten. Vereniging van Eigenaren Buitenplaats Horsterwold en enkele eigenaren van recreatiewoningen in het park zijn het niet eens met het bestemmingsplan en zijn daartegen in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Volgens hen is het perceel waar het hier om gaat onlosmakelijk verbonden met het perceel ernaast op de Bosruiterweg en had de gemeenteraad beide percelen bij dit bestemmingsplan moeten betrekken. Op het naastgelegen perceel staat een asielzoekerscentrum. Nu de gemeenteraad dat niet heeft gedaan kan volgens de bezwaarmakers de totale ruimtelijke impact van het azc en de huisvesting van internationale werknemers samen niet volledig in kaart worden gebracht. Zij vrezen verder dat de arbeidsmigranten er niet tijdelijk maar permanent zullen gaan wonen vanwege de huidige situatie op de woningmarkt. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 7 april 2026 op zitting behandeld.