Uitspraak 202304224/6/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3469
- Datum uitspraak
- 16 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij brief van 4 juni 2026 heeft [verzoeker] verzocht om wraking van mr. E.J. Daalder als lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, belast met de behandeling van de zaak nr. 202304224/5/A2. [verzoeker] heeft in zijn verzoek geen gronden vermeld, waarom de staatsraad volgens hem de indruk heeft gewekt vooringenomen of partijdig te zijn. Hij heeft verzocht om een termijn van zes maanden voor het indienen van de gronden. Het verzoek om wraking is dus niet gemotiveerd.
- Wraking
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
202304224/6/A2.
Datum beslissing: 16 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek van:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
om toepassing van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
Procesverloop
Bij brief van 4 juni 2026 heeft [verzoeker] verzocht om wraking van mr. E.J. Daalder (hierna: de staatsraad) als lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, belast met de behandeling van de zaak nr. 202304224/5/A2.
Overwegingen
1. Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder f, van de Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022 kan de wrakingskamer zonder een zitting te houden beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen als het niet is gemotiveerd.
3. [verzoeker] heeft in zijn verzoek geen gronden vermeld, waarom de staatsraad volgens hem de indruk heeft gewekt vooringenomen of partijdig te zijn. Hij heeft verzocht om een termijn van zes maanden voor het indienen van de gronden. Het verzoek om wraking is dus niet gemotiveerd.
De wrakingskamer ziet geen aanleiding om een termijn te stellen voor het indienen van de gronden. Het is op grond van artikel 8:16 van de Awb immers aan de partij die om wraking verzoekt om, zodra hij bekend wordt met de feiten en omstandigheden die daartoe volgens hem aanleiding geven, om wraking te verzoeken en dat verzoek te motiveren. Daarvoor heeft [verzoeker] in dit geval voldoende tijd gehad.
4. Gelet op het voorgaande wordt het verzoek zonder een zitting te houden buiten behandeling gelaten.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
laat het verzoek buiten behandeling.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026
846