Uitspraak BRS.26.002547
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3439
- Datum uitspraak
- 17 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij brieven van 8 oktober 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoekers geïnformeerd dat hij de opvang in de Landelijke Vreemdelingenvoorziening per
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.002547
ECLI:NL:RVS:2026:3439
Datum uitspraak: 17 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3],
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 april 2026 in zaken nrs. 25/17059, 25/18643 en 25/17085 in het geding tussen:
[betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij brieven van 8 oktober 2024 heeft de minister verzoekers geïnformeerd dat hij de opvang in de Landelijke Vreemdelingenvoorziening per
1 januari 2025 beëindigt.
Bij besluiten van 21 augustus 2025 en 11 september 2025 heeft de minister de daartegen door verzoekers gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 april 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben verzoekers hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft schriftelijke uiteenzettingen gegeven. Verzoekers hebben daarop gereageerd.
Overwegingen
1. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat zij aanspraak hebben op hun huidige opvang totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
2. Het hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekers aanspraak hebben op hun huidige opvang, totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026
941-1118