Uitspraak 202503255/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3426
- Datum uitspraak
- 10 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 7 mei 2025 van de rechtbank Amsterdam. In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 8 juni 2023 op het bezwaar tegen het besluit van 30 april 2020 waarin haar verzoek om een Europese gehandicaptenparkeerkaart passagier is afgewezen, ongegrond verklaard.
- Hoger beroep
- Mondelinge uitspraak
- Verordeningen
Toon inhoud
202503255/1/A3.
Datum uitspraak: 10 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Amsterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 mei 2025 in zaak nr. 23/3365 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Openbare zitting gehouden op 10 juni 2026 om 11:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.C.W. Lange, voorzitter
griffier: mr. T. Hartsuiker
jurist: mr. R.F.I. de Lange
Partijen zijn niet verschenen.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 7 mei 2025 van de rechtbank Amsterdam. In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit van het college van 8 juni 2023 op het bezwaar tegen het besluit van 30 april 2020 waarin haar verzoek om een Europese gehandicaptenparkeerkaart passagier is afgewezen, ongegrond verklaard.
Beslissing:
De Afdeling
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Gronden:
Wat [appellante] aanvoert over dat zij geen uitnodiging heeft ontvangen voor de zitting van de rechtbank leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het staat vast dat de rechtbank de uitnodiging voor de zitting aangetekend heeft verzonden naar het adres dat door [appellante] in het beroepschrift is genoemd, namelijk [locatie] in Amsterdam. Dit is ook in hoger beroep nog haar adres. [appellante] heeft in hoger beroep geen omstandigheden aangevoerd die twijfel doen rijzen over de juiste verzending of bezorging. Daarbij is relevant dat de rechtbank in haar reactie van 28 mei 2025 op de klacht van [appellante] hierover heeft laten weten dat in de bij de rechtbank aanwezige verzendgegevens staat dat de brief op haar adres is bezorgd. Dat [appellante] niet op de zitting bij de rechtbank is verschenen, komt daarom voor haar eigen rekening en risico. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor is daarom geen sprake.
Het hoger beroep is ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hartsuiker
griffier
620-1114