Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202400299/1/R2

Uitspraak 202400299/1/R2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3496
Datum uitspraak
17 juni 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 13 oktober 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de bouw van varkensstallen aan [locatie] in Reusel buiten behandeling gelaten. [appellanten] is eigenaar van de varkenshouderij aan [locatie] in Reusel. Zij wil daar onder andere nieuwe stallen bouwen voor 27.000 biggen. [appellanten] heeft hiervoor een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Omdat geen m.e.r.-beoordelingsbesluit was genomen, heeft het college de aanvraag buiten behandeling gelaten. [appellanten] is het hier niet mee eens.
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • Vee e.a. dieren

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202400299/1/R2.
Datum uitspraak: 17 juni 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beide gevestigd in Reusel, gemeente Reusel-De Mierden ([appellanten]),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 30 november 2023 in zaak nr. 22/689 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden.

Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2020 heeft het college de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de bouw van varkensstallen aan [locatie] in Reusel buiten behandeling gelaten.

Bij besluit van 3 februari 2022 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 november 2023 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak, samen met de zaak met zaaknummer 202400298/1/R2, op zitting behandeld op 10 februari 2026, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat in Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.G.A.M. Peters en L.H.M.M. van de Kerkhof, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 26 november 2014. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       [appellanten] is eigenaar van de varkenshouderij aan [locatie] in Reusel. Zij wil daar onder andere nieuwe stallen bouwen voor 27.000 biggen. [appellanten] heeft hiervoor een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Omdat geen m.e.r.-beoordelingsbesluit was genomen, heeft het college de aanvraag buiten behandeling gelaten. [appellanten] is het hier niet mee eens.

Uitspraak van de rechtbank

3.       De rechtbank heeft het beroep van [appellanten] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de aanvraag op een activiteit ziet die op grond van artikel 7.28 van de Wet milieubeheer (Wm) van het begin af aan m.e.r.-beoordelingsplichtig was en is gebleven. Artikel 7.28, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wm biedt volgens de rechtbank geen ruimte om belangen af te wegen, omdat die bepaling het college verplicht een aanvraag om een omgevingsvergunning buiten behandeling te laten, als er geen m.e.r.-beoordelingsbesluit is genomen. Volgens de rechtbank leidt de wijziging van artikel 7.28 van de Wm door de Verzamelwet IenW 2019 in dit geval niet tot een ander oordeel. Daarnaast komt de rechtbank tot het oordeel dat zich geen situatie voordoet waarbij toepassing aan artikel 6:22 van de Awb kan worden gegeven, omdat er geen gebrek in de besluitvorming is. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het college met het buiten behandeling laten van de aanvraag niet in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld.

Gronden van het hoger beroep

Buiten behandeling laten van de aanvraag

4.       [appellanten] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de aanvraag terecht buiten behandeling heeft gelaten.

Op de zitting heeft zij hiertoe aangevoerd dat op het moment van de aanvraag geen m.e.r.-beoordelingsplicht voor biggen gold. Volgens [appellanten] geldt die plicht pas sinds 2017.

Zij voert daartoe verder aan dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het college de aanvraag niet buiten behandeling kon laten, omdat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant de aanvraag eerder in behandeling heeft genomen. Volgens haar heeft het college van gedeputeerde staten dit standpunt in haar brief van 13 januari 2021 bevestigd. Aan [appellanten] had daarom de mogelijkheid moeten worden geboden om de aanvraag aan te vullen. Het college van burgemeester en wethouders heeft dan ook in strijd gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en, zo heeft [appellanten] op de zitting toegelicht, met artikel 4:5 van de Awb. Dat [appellanten] niet de mogelijkheid heeft gehad om de aanvraag aan te vullen, strookt ook niet met wat de rechtbank Oost-Brabant in haar uitspraak van 2 augustus 2021, 20/3387, onder 3.6, over de voortvarendheid van de afhandeling van de aanvraag heeft overwogen.

Verder brengt zij in dit verband naar voren dat een m.e.r.-beoordelingsbesluit gelet op de Verzamelwet IenW 2019 ook na de aanvraag nog zou mogen worden ingediend. De belangen van derden worden niet geschaad, als een m.e.r.-beoordelingsbesluit pas bij het m.e.r.-beoordelingsplichtige ontwerpbesluit wordt genomen, zo betoogt [appellanten]. Overigens had de uitkomst van de m.e.r.-beoordeling niet tot een MER-plicht geleid, zo betoogt [appellanten].

4.1.    De grond die [appellanten] in hoger beroep over het buiten behandeling laten van de aanvraag heeft aangevoerd, is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. [appellanten] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5.2 opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd.

Over het betoog dat inhoudt dat de aanvraag niet opnieuw buiten behandeling mocht worden gelaten, voegt de Afdeling daar nog het volgende aan toe. Artikel 7.28, tweede lid, aanhef en onder b, Wm staat er niet aan in de weg dat een aanvraag buiten behandeling wordt gelaten, nadat deze in behandeling genomen is geweest. Voor zover [appellanten] vindt dat zij de mogelijkheid zou moeten hebben gehad om de aanvraag aan te vullen, behelst artikel 7.28, tweede lid, van de Wm, anders dan artikel 4:5 van de Awb, geen discretionaire bevoegdheid en is het college op grond van artikel 7.28, tweede lid, van de Wm gehouden om de aanvraag buiten behandeling te laten als er geen m.e.r.-beoordelingsbesluit is genomen (vergelijk uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AH9498, onder 2.4). Wat [appellanten] heeft aangevoerd over de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 2 augustus 2021 en over de strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, kan alleen al daarom niet tot een ander oordeel leiden. Overigens volgt ook uit de brief van het college gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 13 januari 2021, nog daargelaten dat dat college niet bevoegd is om op de aanvraag waar het hier om gaat te beslissen, niet dat de aanvraag niet buiten behandeling mocht worden gelaten.

Het betoog slaagt niet.

Toepassing van artikel 6:22 van de Awb

5.       [appellanten] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 6:22 van de Awb. Zij voert aan dat de rechtbank de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1986, onder 7.3, te letterlijk heeft genomen. De rechtbank had volgens haar in dit geval analoog aan die uitspraak moeten oordelen dat het college ruimte had moeten bieden voor het alsnog indienen van een m.e.r.-beoordelingsbesluit.

5.1.    Uit artikel 6:22 van de Awb volgt dat een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand kan worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

5.2.    De grond die [appellanten] in hoger beroep over de toepassing van artikel 6:22 van de Awb heeft aangevoerd, is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. [appellanten] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.1 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat zij in haar uitspraak van 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1986, geen aanleiding ziet voor het oordeel dat het college [appellanten] de mogelijkheid had moeten bieden om alsnog een m.e.r.-beoordelingsbesluit in te dienen.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

6.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.E.H.J. Vollaers, griffier.

w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Vollaers
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026

880-1135


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon