Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202205177/1/A3

Uitspraak 202205177/1/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3476
Datum uitspraak
17 juni 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 15 december 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk het verzoek van [wederpartij] om wijziging van haar persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen. [wederpartij] staat in de brp ingeschreven als [naam 1], geboren op [geboortedatum] 1982 in [plaats], China. Deze gegevens zijn ontleend aan een door haar op 19 maart 1999 afgelegde verklaring onder ede. [wederpartij] heeft het college op 22 januari 2020 verzocht om op grond van artikel 2.58 van de Wet brp haar persoonsgegevens te wijzigen naar [naam 2], geboren op [geboortedatum] 1974 in [plaats], China. Ook heeft zij verzocht om opneming in de brp van haar tot dan toe onbekende oudergegevens. Het college heeft het verzoek afgewezen omdat niet onomstotelijk vaststaat dat de overgelegde documenten, voor zover zij al beoordeeld kunnen worden, op [wederpartij] betrekking hebben.
  • Hoger beroep
  • Basisregistratie

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202205177/1/A3.
Datum uitspraak: 17 juni 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 2 augustus 2022 in zaak nr. 21/2026 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2020 heeft het college het verzoek van [wederpartij] om wijziging van haar persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen.

Bij besluit van 16 juli 2021 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 augustus 2022 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 juli 2021 vernietigd en het besluit van 15 december 2020 herroepen, en het college opgedragen om de bestaande inschrijving in de brp van [wederpartij] te wijzigen.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 1 april 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C.M.M. van Mil, advocaat in Nijmegen, en M. Hombergen-Schuurmans, en [wederpartij], bijgestaan door mr. K.L. Sett, advocaat in Rotterdam, en de tolk G.S. Nie, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [wederpartij] staat in de brp ingeschreven als [naam 1], geboren op [geboortedatum] 1982 in [plaats], China. Deze gegevens zijn ontleend aan een door haar op 19 maart 1999 afgelegde verklaring onder ede. [wederpartij] heeft het college op 22 januari 2020 verzocht om op grond van artikel 2.58 van de Wet brp haar persoonsgegevens te wijzigen naar [naam 2], geboren op [geboortedatum] 1974 in [plaats], China. Ook heeft zij verzocht om opneming in de brp van haar tot dan toe onbekende oudergegevens. [wederpartij] heeft bij haar verzoek de volgende stukken overgelegd:

-         (1) een kopie van een Nederlands verblijfsdocument, geldig tot [datum] 2023;

-         (2) een Chinees paspoort met nummer […] van de persoon [naam 2], afgegeven op [datum] 2019;

-         (3) een verlopen Chinees paspoort met nummer […] van de persoon [naam 2], afgegeven op [datum] 2007;

-         (4) een kopie van een Chinese identiteitskaart met beëdigde vertaling, op naam van de persoon [naam 2], afgegeven op [datum] 2006;

-         (5) een gelegaliseerde notariële verklaring over de geboorte van [naam 2] met nummer […], opgemaakt op [datum] 2019;

-         (6) een kopie van een huishoudregistratieboekje (hukou), afgegeven op [datum] 2013, met een gelegaliseerde notariële verklaring van [datum] 2019 met nummer […], waarin staat dat de kopie van de hukou overeenkomt met het origineel en het origineel authentiek is;

-         (7) een verklaring van [datum] 2021 van het dorpscomité van het dorp [naam dorp] met beëdigde vertaling;

-         (8) een Registratiekaart voor permanente bewoners van [datum] 2021 met beëdigde vertaling;

-         (9) een Registratiekaart voor permanente bewoners van [datum] 2021 met beëdigde vertaling.

Daarnaast heeft [wederpartij] een gezichtsvergelijkend onderzoek van Securitech van 28 januari 2021 overgelegd. Securitech heeft de foto’s op het verblijfsdocument, de paspoorten, de identiteitskaart en het rijbewijs van [wederpartij] met elkaar vergeleken. De conclusie is dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden gesteld dat op alle foto’s dezelfde persoon staat.

2.       Het college heeft het verzoek afgewezen omdat niet onomstotelijk vaststaat dat de overgelegde documenten, voor zover zij al beoordeeld kunnen worden, op [wederpartij] betrekking hebben.

De uitspraak van de rechtbank

3.       De rechtbank heeft het toetsingskader gehanteerd dat de Afdeling uiteengezet heeft in haar uitspraak van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1198. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat niet langer vereist is dat onomstotelijk vaststaat dat de eerder geregistreerde feiten feitelijk onjuist zijn en de bij de aanvraag tot wijziging verstrekte vervangende gegevens juist zijn. Beoordeeld moet worden of buiten redelijke twijfel uit de overgelegde brondocumenten, zo nodig bezien in samenhang met de daaraan ten grondslag liggende nadere bewijsmiddelen, volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn.

De rechtbank heeft verder overwogen dat het paspoort uit 2019 een brondocument is in de zin van artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet brp. Volgens de rechtbank heeft het college zijn stelling dat er kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de uitgifte van het paspoort, onvoldoende onderbouwd. [wederpartij] heeft onweersproken gesteld dat het paspoort uit 2019 is verstrekt op basis van het paspoort uit 2007. Dit komt overeen met wat hierover staat in het Algemeen Ambtsbericht China van juli 2020.

Volgens de rechtbank volgt uit de paspoorten en de identiteitskaart, in samenhang met het gezichtsvergelijkend onderzoek, buiten redelijke twijfel dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. Omdat de overgelegde brondocumenten van hogere rang zijn dan de verklaring onder ede op grond waarvan de eerdere inschrijving heeft plaatsgevonden, moeten de betreffende gegevens in de brp worden gewijzigd, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

Toetsingskader

4.       In de overzichtsuitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, heeft de Afdeling het beoordelingskader voor rectificatieverzoeken op grond van artikel 2.58 van de Wet brp vernieuwd. Met die uitspraak heeft de Afdeling het beoordelingskader zoals uiteengezet in de hiervoor onder 3 genoemde uitspraak van 4 mei 2022 op enkele punten gewijzigd of verduidelijkt.

Bij rectificatieverzoeken moet beoordeeld worden of buiten redelijke twijfel uit de overgelegde brondocumenten, zo nodig bezien in samenhang met de daarmee verband houdende nadere bewijsmiddelen, volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. Als dat het geval is, en het brondocument van gelijke of hogere orde is dan het document of de verklaring op grond waarvan de eerdere inschrijving heeft plaatsgevonden, wordt het gegeven, of worden de gegevens waar het in dat geval om gaat, in de brp gewijzigd.

De hukou (document 6)

5.       De rechtbank heeft overwogen dat [wederpartij] op de zitting heeft laten weten dat zij haar correctieverzoek niet langer steunt op de hukou (document 6), maar wel op de andere documenten genoemd onder 2 tot en met 5 en 7 tot en met 9. De rechtbank heeft de hukou dus niet bij haar oordeel betrokken. Op de zitting bij de Afdeling heeft [wederpartij] aangevoerd dat alleen de passage in de hukou over het terugverhuizen naar Italië niet klopt, maar de rest van de gegevens wel. Volgens [wederpartij] kan dit document dus wel als brondocument worden opgevat. De Afdeling gaat hieraan voorbij, omdat [wederpartij] geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank en zij in hoger beroep niet kan terugkomen van een in beroep zonder voorbehoud ingetrokken standpunt. Met dit betoog wordt dus buiten de omvang van het geding getreden.

De identiteitskaart (document 4)

6.       Het college twijfelt niet aan de echtheid van de identiteitskaart. Volgens het college kan deze dan ook aangemerkt worden als brondocument in de zin van artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet brp. Dat betekent echter nog niet dat de daarin vermelde feiten zonder meer moeten worden verwerkt in de brp. Het college voert aan dat voorafgaand aan de afgifte van de identiteitskaart kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. In de algemene ambtsberichten over China uit 2012, 2018, 2020 en 2022 staat dat identiteitskaarten niet vanuit het buitenland kunnen worden aangevraagd. [wederpartij] heeft verklaard vanaf 1998 in Nederland te verblijven en niet teruggekeerd te zijn naar China om daar de identiteitskaart aan te vragen. Die verklaring strookt volgens het college dus niet met de informatie uit de ambtsberichten.

6.1.    Tussen partijen is niet in geschil dat de identiteitskaart een brondocument is als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet brp. Dat betekent echter niet dat de daarin vermelde feiten zonder meer moeten worden verwerkt in de brp. Zoals de Afdeling heeft overwogen in r.o. 7.1 van de overzichtsuitspraak van 22 oktober 2025, volgt uit artikel 2.10, tweede lid, van de Wet brp dat aan de hier bedoelde brondocumenten geen gegevens mogen worden ontleend voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de daarin vermelde feiten. Het gaat hierbij om de openbare orde in materiële en in processuele zin. Van strijd met de openbare orde is sprake als voorafgaand aan de afgifte van het brondocument kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden.

De Afdeling heeft verder overwogen in r.o. 6.2 van de overzichtsuitspraak, dat als het college stelt dat er kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden, het dit aannemelijk moet maken. De bewijslast ligt op dit punt bij het college. Als uit de door het college aangevoerde feiten of omstandigheden blijkt dat voorafgaand aan de afgifte van het brondocument kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden, dan is het aan de aanvrager om met tegenbewijs te komen. De aanvrager kan hiervoor bewijs leveren vanuit andere bronnen dan brondocumenten.

6.2.    Uit de verschillende door het college aangehaalde ambtsberichten volgt dat Chinese identiteitskaarten niet vanuit het buitenland kunnen worden aangevraagd. Op de zitting bij de Afdeling heeft [wederpartij] verklaard dat haar zusje voor haar de identiteitskaart heeft aangevraagd in China. Die verklaring komt niet overeen met wat in de ambtsberichten staat over de afgifte van een identiteitskaart. Verder heeft [wederpartij] gesteld dat de identiteitskaart een eerste generatie identiteitskaart is zonder digitale chip en op geplastificeerd papier, die wel vanuit het buitenland aangevraagd zou kunnen worden. Zij heeft daartoe verwezen naar het Algemeen Ambtsbericht China 2020, p. 15. Daarin is weliswaar vermeld dat de eerste generatie identiteitsbewijzen sinds 1 januari 2013 niet meer geldig zijn en ingewisseld kunnen worden voor een nieuw identiteitsbewijs, maar uit het ambtsbericht volgt niet dat eerste generatie identiteitsbewijzen wel vanuit het buitenland konden worden aangevraagd. [wederpartij] heeft dat ook verder niet nader toegelicht.

Daarnaast volgt uit het Algemeen Ambtsbericht China uit 2008, p. 38, dat het hukou-boekje het brondocument is op basis waarvan de identiteitskaart wordt afgegeven. [wederpartij] heeft op de zitting bij de rechtbank verklaard dat alleen de Registratiekaart permanente bewoners van 10 maart 2021 (document 9) juiste gegevens bevat. Dit zou een afschrift zijn van de eerste hukou uit 1982. In die Registratiekaart wordt echter als geboortedatum van [naam 2] [datum] 1974 vermeld, terwijl de geboortedatum op de identiteitskaart [datum] 1974 is. Op de zitting bij de Afdeling heeft de gemachtigde van [wederpartij] verklaard dat dit verschil komt doordat de geboortedatum in de hukou op basis van de Chinese maankalender is, en de geboortedatum in de identiteitskaart op basis van de Gregoriaanse kalender. De gemachtigde heeft verklaard dat het volgens ChatGPT om dezelfde datum gaat. Hij heeft daarbij niet de vraagstelling overgelegd en geen nadere bronvermelding gegeven voor het door ChatGPT gegeven antwoord. De Afdeling gaat daarom aan dit betoog voorbij.

Tot slot staat volgens de vertaling op de identiteitskaart een woonadres in [plaats], China. Dit klopt niet met het gegeven dat [wederpartij] sinds 1998 niet meer in China woont. De gemachtigde van [wederpartij] heeft op de zitting bij de Afdeling verklaard dat het niet gaat om een woonadres maar om het registratieadres volgens de hukou. Deze stelling is niet onderbouwd. Bovendien is de identiteitskaart door een beëdigd vertaler vertaald. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van die vertaling.

6.3.    Gelet op het voorgaande heeft het college aannemelijk gemaakt dat kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de afgifte van de identiteitskaart. Dat betekent dat de identiteitskaart niet gebruikt kan worden om de door [wederpartij] gewenste gegevens in de brp te verwerken.

6.4.    Het betoog slaagt.

De paspoorten (documenten 2 en 3)

7.       Het college twijfelt niet aan de echtheid van de paspoorten uit 2007 en 2019. Volgens het college kunnen deze dan ook aangemerkt worden als brondocumenten in de zin van artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet brp. Het college voert echter aan dat ook voorafgaand aan de afgifte van de paspoorten kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden.

7.1.    Tussen partijen is niet in geschil dat de paspoorten brondocumenten zijn als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet brp. Dat een document een brondocument is betekent niet dat de daarin vermelde feiten zonder meer moeten worden verwerkt in de brp. Wat de Afdeling hiervoor onder 6.1 heeft overwogen, geldt ook voor een paspoort. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de overzichtsuitspraak, r.o. 7.3 en 7.4, geldt dat in beginsel van de juistheid van de gegevens in een door de bevoegde autoriteit afgegeven paspoort moet worden uitgegaan. Als het college de gegevens uit een echt bevonden paspoort niet wil volgen, zal het aannemelijk moeten maken dat er kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden of dat de gegevens onjuist zijn. De bewijslast ligt op dit punt bij het college. Het in algemene zin uiten van twijfels over de afgiftepraktijk van het brondocument in de afgevende staat, bijvoorbeeld door te wijzen op frauduleuze praktijken die zich hebben voorgedaan, is hiervoor onvoldoende. Aan de individuele aanvraag te relateren omstandigheden kunnen, eventueel in samenhang met kennis over de algemene afgiftepraktijk, wel voldoende zijn om aannemelijk te maken dat geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden.

7.2.    De Afdeling is van oordeel dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat voorafgaand aan de afgifte van de paspoorten kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Het college heeft aangevoerd dat [wederpartij] over het paspoort uit 2007 op de zitting bij de rechtbank heeft verklaard dat dit is verstrekt op basis van een geboorteakte, een hukou en een identiteitskaart.

Over de geboorteakte heeft [wederpartij] tijdens de zittingen bij de rechtbank en de Afdeling wisselende verklaringen afgelegd. Bij de rechtbank verklaarde zij eerst dat deze thuis ligt en misschien kwijt is, omdat deze maar een half jaar geldig zou zijn en zij die daarna niet meer nodig had. Daarna verklaarde zij dat er nooit een geboorteakte is afgegeven, omdat zij thuis is geboren. Op de zitting bij de Afdeling heeft [wederpartij] voor het eerst verklaard dat zij met geboorteakte doelt op een gelegaliseerde akte die is afgegeven in 2007. Die akte is niet door haar overgelegd. Voor zover [wederpartij] doelde op de notariële verklaring over de geboorte (document 5), geldt dat deze is afgegeven in 2019, en dus niet ten grondslag kan liggen aan het paspoort uit 2007.

Voor de hukou geldt dat [wederpartij], zoals hiervoor onder 6.2 is overwogen, op de zitting bij de rechtbank heeft verklaard dat alleen de Registratiekaart permanente bewoners van 10 maart 2021 (document 9) juiste gegevens bevat. In die registratiekaart staat echter een andere geboortedatum dan is vermeld op het paspoort van 2007. Het is dus niet duidelijk op basis van welke geboorteakte en hukou het paspoort is afgegeven. Van de identiteitskaart staat, zoals hiervoor onder 6.3 is overwogen, niet vast dat voorafgaand aan de afgifte daarvan behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden.

7.3.    Gelet hierop heeft het college aannemelijk gemaakt dat voorafgaand aan de afgifte van het paspoort uit 2007 geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Dat geldt ook voor het paspoort uit 2019, omdat deze is afgegeven op basis van het paspoort uit 2007. Dat betekent dat de paspoorten niet gebruikt kunnen worden om de door [wederpartij] gewenste gegevens in de brp te verwerken.

7.4.    Het betoog slaagt.

De notariële verklaring over de geboorte (document 5)

8.       Het college voert aan dat de notariële verklaring over de geboorte geen brondocument is en de gegevens daaruit dus niet in de brp verwerkt kunnen worden.

8.1.    Zoals de Afdeling in de overzichtsuitspraak, r.o. 6.1, heeft overwogen, zal een echt bevonden notariële verklaring waarin niet duidelijk is op welk onderzoek die is gebaseerd, bijvoorbeeld omdat geen onderliggend document is meegeleverd, vaak niet worden aangemerkt als brondocument.

8.2.    [wederpartij] heeft een gelegaliseerde notariële verklaring met nummer […] over de geboorte van [persoon] aangeleverd. In de notariële verklaring staan de door [wederpartij] in haar verzoek opgegeven persoonsgegevens vermeld. Uit de notariële verklaring blijkt niet op welk document of onderzoek de notaris zijn verklaring heeft gebaseerd. In de notariële verklaring staat alleen ‘issue under notarization: birth’. Hoewel Bureau Documenten de notariële verklaring als ‘echt’ heeft aangemerkt, betekent dat niet dat de notariële verklaring overeenkomstig plaatselijke voorschriften is opgemaakt. Bovendien vermeldt de notariële verklaring het nummer van de door [wederpartij] overgelegde identiteitskaart, waarvan hiervoor onder 6.3 is overwogen dat niet vaststaat dat voorafgaand aan de afgifte daarvan behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Onder deze omstandigheden kan de notariële verklaring niet dienen als brondocument op basis waarvan de door [wederpartij] gewenste gegevens in de brp worden verwerkt.

8.3.    Het betoog slaagt.

De registratiekaarten voor permanente bewoners (documenten 8 en 9)

9.       De registratiekaarten voor permanente bewoners (documenten 8 en 9) zijn volgens het college geen brondocumenten. Daarnaast kloppen de gegevens daarin niet, waardoor deze hoe dan ook niet verwerkt kunnen worden in de brp, aldus het college.

9.1.    Zoals volgt uit de overzichtsuitspraak, r.o. 8.1, is de bewijswaarde van een kopie, afschrift of uittreksel afhankelijk van de vraag in hoeverre die kopie voldoet aan de eisen die eventueel worden gesteld aan waarmerking en legalisatie en van de uitkomst van eventueel verricht nader verificatie-, authenticiteits- of andersoortig onderzoek. Zoals is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:641, vullen een notariële akte en een certified copy (gewaarmerkte kopie) elkaar aan en kunnen zij samen voldoende zekerheid bieden om in Nederland als volwaardig brondocument gebruikt te worden. Daarvoor zal echter wel informatie bekend moeten zijn over de wijze van opmaken en de betrouwbaarheid van het onderzoek daarbij.

9.2.    De registratiekaarten zijn geen originele documenten. Bureau Documenten heeft deze dan ook niet kunnen beoordelen. Ook zijn de registratiekaarten niet voorzien van een bijbehorende notariële verklaring waarin staat dat deze overeenkomen met het origineel. Daarom kunnen de registratiekaarten niet aangemerkt worden als brondocument.

9.3.    Het voorgaande betekent dat de registratiekaarten niet gebruikt kunnen worden om de door [wederpartij] gewenste gegevens in de brp te verwerken.

9.4.    Het betoog slaagt.

Verklaring van het dorpscomité (document 7)

10.     Over de verklaring van het dorpscomité van het dorp [naam dorp] van 5 maart 2021 voert het college aan dat deze verklaring alleen vermeldt dat [naam 2] dorpeling is van het dorp [naam dorp]. De verklaring bevat verder geen andere persoonsgegevens. Bovendien bevestigt dit volgens het college dat [naam 2] en [wederpartij] niet dezelfde persoon zijn, omdat [wederpartij] sinds 1998 in Nederland verblijft.

10.1.  Nog daargelaten of de verklaring van het dorpscomité kan worden aangemerkt als een brondocument in de zin van artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp, kan deze niet gebruikt worden om de door [wederpartij] gewenste gegevens in de brp te verwerken. Het college heeft terecht aangevoerd dat de verklaring niet kan zien op [wederpartij], omdat zij geen dorpeling is van het dorp [naam dorp]. De stelling van [wederpartij], dat met dorpeling wordt bedoeld dat ze geregistreerd is in dat dorp, is niet onderbouwd. Daarnaast vermeldt de verklaring alleen dat de situatie, dat [naam 2] dorpeling is van het dorp [naam dorp], is geverifieerd, maar uit de verklaring wordt niet duidelijk op basis waarvan dat gedaan is. Ook vermeldt de verklaring het nummer van de identiteitskaart, waarvan niet vaststaat dat voorafgaand aan de afgifte daarvan kennelijk behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden.

10.2.  Het betoog slaagt.

Conclusie

11.     De identiteitskaart (document 4) en de paspoorten (documenten 2 en 3) zijn weliswaar brondocumenten in de zin van artikel 2.8, tweede lid, onder d van de Wet brp, maar het college heeft aannemelijk gemaakt dat voorafgaand aan de afgifte van deze documenten kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Uit deze documenten volgt dus niet buiten redelijke twijfel is dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. Dat volgt ook niet uit de andere overgelegde documenten. De Afdeling komt daarom niet toe aan de beoordeling van het onderzoek van Securitech en de vraag of de brondocumenten betrekking hebben op [wederpartij]. Het college heeft het verzoek van [wederpartij] om wijziging van haar persoonsgegevens in de brp terecht afgewezen.

Slotsom

12.     Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep ongegrond verklaren. Dat betekent dat het besluit van het college van 16 juli 2021 in stand blijft, en dat het college het verzoek van [wederpartij] om wijziging van haar persoonsgegevens in de brp terecht heeft afgewezen.

13.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 2 augustus 2022 in zaak nr. 21/2026;

III.      verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Kamperman, griffier.

w.g. Willems
voorzitter

w.g. Kamperman
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026

1000


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon