Uitspraak BRS.25.000156
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3293
- Datum uitspraak
- 11 juni 2026
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.000156
ECLI:NL:RVS:2026:3293
Datum uitspraak: 11 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 7 februari 2025 in zaak nr. NL23.37867 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 1 december 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 7 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M. Pals, advocaat in Arnhem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister zijn zorgplicht voor betrokkene als mogelijk slachtoffer van mensenhandel heeft geschonden. De rechtbank heeft in het licht daarvan geoordeeld dat het onredelijk is dat de minister betrokkene wil overdragen aan Polen, omdat Polen volgens hem verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, in plaats van dat hij onverplicht de asielaanvraag van betrokkene inhoudelijk in behandeling neemt. Dit is voor de rechtbank een zelfstandige reden om het besluit van 1 december 2023 te vernietigen. De rechtbank heeft benadrukt dat zij uiterst terughoudend is met het geven van dit oordeel, omdat het aan de minister is om te beoordelen of hij toepassing geeft aan zijn beleid en dat het dus ook aan hem is om te beoordelen welke feiten en omstandigheden hij daarvoor relevant vindt. Maar toch heeft de rechtbank hiervoor in deze procedure aanleiding gezien. De rechtbank heeft hierbij opgemerkt dat dit oordeel niet alleen hoogst zelden wordt gegeven, maar dat de feiten en omstandigheden in deze procedure zich ook slechts hoogst zelden zullen voordoen.
1.1. De eerste grief is gericht tegen het onder 1 weergegeven oordeel van de rechtbank. De minister betoogt terecht dat de rechtbank de beoordeling van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening terughoudend moet toetsen en dat dit met zich meebrengt dat de rechter bij die toetsing niet zijn eigen oordeel in de plaats mag stellen van dat van de minister. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 21 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1666, onder 2.1, en 21 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:545, onder 3. Met haar oordeel heeft de rechtbank in strijd met die rechtspraak feitelijk een eigen oordeel gegeven over de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
1.2. De eerste grief slaagt.
2. De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen toepassing geeft aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
2.1. De minister betoogt terecht dat de rechtbank met haar oordeel niet heeft onderkend dat uit zijn reacties in de beroepsprocedure blijkt dat hij wel degelijk heeft ingezien dat hij zijn verplichting tegenover betrokkene heeft geschonden door haar tijdens of na het aanmeldgehoor niet te informeren over de mogelijkheid om aangifte te doen als slachtoffer van mensenhandel en haar recht op bedenktijd daarvoor. De minister heeft hierin weliswaar geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, maar dat betekent niet dat hij deze omstandigheid niet heeft onderkend.
2.2. De minister betoogt ook terecht dat de rechtbank ook niet heeft onderkend dat hij de strekking van de argumenten van betrokkene heeft begrepen en heeft betrokken in zijn beoordeling. Volgens de rechtbank heeft betrokkene gewezen op de schrijnende situatie waarin zij geruime tijd verkeert, het nalatige handelen van de minister en de compensatie die de minister haar zou moeten bieden door haar asielaanvraag inhoudelijk te behandelen. Uit de reacties in de beroepsprocedure volgt dat de minister deze omstandigheden ook bij zijn beoordeling heeft betrokken en dat hij heeft toegelicht dat hij desondanks geen aanleiding ziet om de asielaanvraag van betrokkene onverplicht in behandeling te nemen.
2.3. De minister betoogt gelet op het voorgaande terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
2.4. De tweede grief slaagt.
3. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, verklaart zij het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 7 februari 2025 in zaak nr. NL23.37867;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzitter
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026
985