Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 201908101/1/V3

Uitspraak 201908101/1/V3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2020:545
Datum uitspraak
21 februari 2020
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 24 juni 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw niet in behandeling genomen.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

201908101/1/V3.
Datum uitspraak: 21 februari 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 31 oktober 2019 in zaak nr. NL19.21319 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 31 oktober 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris de asielaanvraag van de vreemdeling in behandeling neemt.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Woudwijk, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.    De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van de vreemdeling opnieuw niet in behandeling genomen, omdat volgens hem Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.

2.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris alle door de vreemdeling aangevoerde relevante feiten en omstandigheden in het besluit van 24 juni 2019 kenbaar bij zijn belangenafweging heeft betrokken. Daardoor is volgens haar, anders dan in het daaraan voorafgaande besluit van 6 december 2018, geen sprake meer van een motiveringsgebrek. Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris zich echter niet in redelijkheid op het standpunt gesteld dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat een overdracht van de vreemdeling aan Spanje van een onevenredige hardheid getuigt. Zij heeft daarom de staatssecretaris opgedragen de asielaanvraag van de vreemdeling inhoudelijk in behandeling te nemen.

3.    De staatssecretaris klaagt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank hierdoor niet heeft onderkend dat zij zijn beoordeling van de toepassing van de discretionaire bevoegdheid in artikel 17 van de Dublinverordening (PB 2013, L 180) terughoudend moet toetsen (uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3246). Deze terughoudende toetsing brengt met zich dat de rechter de besluitvorming van de staatssecretaris moet toetsen aan de eisen die het recht daaraan stelt, met name wat betreft de zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering, maar staat eraan in de weg dat de rechter bij die toetsing zijn eigen oordeel in de plaats stelt van dat van de staatssecretaris (uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1666). Doordat de rechtbank haar eigen oordeel over het gewicht van de door de vreemdeling aangevoerde individuele omstandigheden heeft gegeven, heeft zij feitelijk toepassing gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

De grief slaagt.

4.    Het hoger beroep is gegrond. Wat de staatssecretaris in zijn tweede grief aanvoert, hoeft daarom niet te worden besproken. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

5.    In beroep betoogt de vreemdeling dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

5.1.    Niet in geschil is, zoals ook de rechtbank onbestreden heeft overwogen, dat de staatssecretaris alle door de vreemdeling aangevoerde relevante feiten en omstandigheden in het besluit van 24 juni 2019 kenbaar bij zijn belangenafweging heeft betrokken. De staatssecretaris heeft, op basis van die afweging, in redelijkheid geen toepassing gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Bij zijn beoordeling dat overdracht van de vreemdeling aan Spanje niet getuigt van een onevenredige hardheid, heeft hij terecht betrokken dat, hoewel het volgens hem duidelijk is dat tussen de vreemdeling en zijn broer - die in Nederland woont - emotionele banden bestaan, niet is gebleken van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie en het bestaan daarvan ook niet met (medische) stukken is gestaafd. De vreemdeling heeft zich staande kunnen houden in de periode van zestien jaar waarin hij en zijn broer elkaar uit het oog zijn verloren, en niet is gebleken dat de psychische steun voor de vreemdeling uitsluitend in Nederland kan plaatsvinden of in Spanje niet beschikbaar is.

De beroepsgrond faalt.

6.    Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 31 oktober 2019 in zaak nr. NL19.21319;

III.    verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Bechinka
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2020

371-922.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon