Uitspraak 202503117/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3302
- Datum uitspraak
- 9 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij uitspraak van 28 mei 2025 heeft de rechtbank een verzoek van appellant om de minister te veroordelen in de proceskosten, afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Pals, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202503117/1/V1.
Datum uitspraak: 9 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 28 mei 2025 in zaak nr. NL24.13722 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij uitspraak van 28 mei 2025 heeft de rechtbank een verzoek van appellant om de minister te veroordelen in de proceskosten, afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Pals, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant heeft op 7 september 2023 een aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Omdat de minister niet binnen zes maanden een besluit op de aanvraag heeft genomen, heeft appellant, nadat hij de minister op 12 maart 2024 in gebreke heeft gesteld, bij de rechtbank beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingesteld. De minister heeft bij besluit van 11 maart 2025 de aanvraag ingewilligd. Hierop heeft appellant het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten.
2. De rechtbank heeft overwogen dat, als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, de bestuursrechter op verzoek van de indiener het bestuursorgaan op grond van artikel 8:75a van de Awb bij afzonderlijke uitspraak kan veroordelen in de proceskosten. In dit geval heeft de minister onderzoek naar de toepasselijkheid van de Dublinverordening verricht. De minister heeft onderzoek in Eurodac verricht, een verzoek om informatie bij een andere lidstaat ingediend en een aanmeldgehoor Dublin met appellant gehouden. In deze situatie mag de minister artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 toepassen. Daarin is geregeld dat, indien onderzoek plaatsvindt in het kader van de Dublinverordening, de beslistermijn aanvangt op het tijdstip waarop de minister overeenkomstig de Dublinverordening vaststelt dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek. In dit geval is na het verstrijken van twee maanden na de treffer in Eurodac van 7 september 2023 komen vast te staan dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Nederland heeft die verantwoordelijkheid niet eerder aan zich getrokken. Op grond van artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 is de beslistermijn van zes maanden daarom vanaf 7 november 2023 aangevangen. Dit betekent dat de beslistermijn op 7 mei 2024 is geëindigd. Appellant heeft de minister op 12 maart 2024 in gebreke gesteld. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken, zodat de ingebrekestelling te vroeg is ingediend. Het beroep zou daarom niet-ontvankelijk zijn verklaard als appellant het niet had ingetrokken, aldus de rechtbank. Gelet hierop heeft zij het verzoek van appellant om de minister in de proceskosten te veroordelen, afgewezen.
3. Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1654, onder 4.3.1 tot en met 4.3.3, en ECLI:NL:RVS:2023:1655, onder 3.3.1 en 3.3.2, betoogt appellant in de enige grief terecht dat het voor de minister al duidelijk was dat hij voor Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht uitgaan en hij appellant daarom niet aan Italië mocht overdragen, toen appellant op 7 september 2023 de aanvraag indiende. Voor zover de minister onderzoek in het kader van de Dublinverordening bij de Italiaanse autoriteiten heeft verricht, vormde dat dus geen reden om op grond van artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 de beslistermijn te verlengen. De minister heeft geen onderzoek in het kader van de Dublinverordening bij een andere lidstaat verricht. Gelet hierop, is de minister al vanaf 7 september 2023 verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag. De beslistermijn is vanaf die datum aangevangen. Appellant heeft de ingebrekestelling van 12 maart 2024 daarom niet te vroeg ingediend. Gelet hierop was het beroep ontvankelijk. Appellant betoogt terecht dat de rechtbank zijn verzoek om een proceskostenveroordeling ten onrechte heeft afgewezen. De grief slaagt.
4. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
5. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 28 mei 2025 in zaak nr. NL24.13722;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. De Wilde
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026
598