Uitspraak 202503116/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3300
- Datum uitspraak
- 9 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij uitspraak van 15 mei 2025 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Pals, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202503116/1/V1.
Datum uitspraak: 9 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 15 mei 2025 in zaak nr. NL24.13723 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 15 mei 2025 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Pals, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant heeft op 5 september 2023 de aanvraag ingediend. Omdat de minister niet binnen zes maanden een besluit op de aanvraag heeft genomen, heeft appellant, nadat hij de minister op 12 maart 2024 in gebreke heeft gesteld, bij de rechtbank beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingesteld.
2. De rechtbank heeft overwogen dat de minister onderzoek naar de toepasselijkheid van de Dublinverordening heeft verricht met een Eurodac-onderzoek en een gehoor. Omdat de minister vervolgens geen claimverzoek bij een andere lidstaat heeft ingediend, is Nederland na het verstrijken van de claimtermijn, dus op 5 november 2023, verantwoordelijk geworden. Vanaf die datum is de beslistermijn van zes maanden aangevangen. De minister heeft met WBV 2023/3 de beslistermijn met negen maanden verlengd. Uit de uitspraak van de rechtbank van 12 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:19612, volgt echter dat de minister WBV 2023/3 buiten toepassing moet laten. Dat betekent dat de minister uiterlijk op 5 mei 2024 een besluit op de asielaanvraag moest nemen. De beslistermijn was op 12 maart 2024 nog niet verstreken. De ingebrekestelling is dus te vroeg ingediend. Het beroep van appellant tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag is daarom niet-ontvankelijk, aldus de rechtbank.
3. Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1654, onder 4.3.1 tot en met 4.3.3, en ECLI:NL:RVS:2023:1655, onder 3.3.1 en 3.3.2, betoogt appellant in de enige grief terecht dat het voor de minister al duidelijk was dat hij voor Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht uitgaan en hij appellant daarom niet aan Italië mocht overdragen, toen appellant op 5 september 2023 de aanvraag indiende. Voor zover de minister onderzoek in het kader van de Dublinverordening bij de Italiaanse autoriteiten heeft verricht, vormde dat dus geen reden om op grond van artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 de beslistermijn te verlengen. De minister heeft geen onderzoek in het kader van de Dublinverordening bij een andere lidstaat verricht. Gelet hierop, is de minister al vanaf 5 september 2023 verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag. De beslistermijn is vanaf die datum aangevangen. Appellant heeft de ingebrekestelling van 12 maart 2024 daarom niet te vroeg ingediend. De grief slaagt.
4. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
5. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag gegrond en vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. De minister moet alsnog een besluit op de aanvraag nemen en bekendmaken. De Afdeling zal daarvoor een termijn stellen van acht weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden om het eerste gehoor af te nemen, en een termijn van acht weken na het eerste gehoor, dan wel in ieder geval zestien weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden, om een besluit op de aanvraag bekend te maken. De Afdeling zal met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepalen dat de minister aan appellant een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat hij in gebreke blijft om deze uitspraak na te leven. De Afdeling zal de hoogte van de dwangsom vaststellen op € 100,00 per dag, met een maximum van € 7.500,00. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 15 mei 2025 in zaak nr. NL24.13723;
III. verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond;
IV. vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
V. bepaalt dat de minister van Asiel en Migratie binnen acht weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden het eerste gehoor afneemt en binnen acht weken na het eerste gehoor, dan wel in ieder geval binnen zestien weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden, een besluit op de aanvraag bekendmaakt;
VI. bepaalt dat de minister van Asiel en Migratie aan appellant een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat hij in gebreke blijft om deze uitspraak na te leven;
VII. stelt de hoogte van de dwangsom vast op € 100,00 per dag, met een maximum van € 7.500,00;
VIII. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. De Wilde
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026
598