Uitspraak BRS.26.000457
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3253
- Datum uitspraak
- 9 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 6 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van [appellant] om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.000457
ECLI:NL:RVS:2026:3253
Datum uitspraak: 9 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 19 januari 2026 in zaak nr. NL25.49461 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 6 oktober 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 19 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.K. Bulthuis, advocaat in Groningen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant komt uit Algerije en heeft op 1 oktober 2021 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft die aanvraag bij besluit van 2 december 2021 afgewezen. Deze afwijzing staat in rechte vast. Op 14 juni 2022 heeft appellant een opvolgende asielaanvraag ingediend.
1.1. De avond voorafgaand aan het gehoor opvolgende aanvraag van 29 september 2025 heeft appellant medische stukken naar de minister gestuurd. Het betreft een medisch journaal van appellant van 22 september 2025 en een brief van een psycholoog en psychiater van Kleur GGZ van 21 maart 2025 aan de huisarts over de intake van appellant. In het medisch journaal staan zijn episodes beschreven in de periode van 8 augustus 2020 tot en met 14 mei 2025. In de brief van 21 maart 2025 heeft Kleur GGZ de diagnose posttraumatische stressstoornis (PTSS) gesteld.
Hoger beroep
2. In zijn eerste grief klaagt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister voorafgaand aan het gehoor geen nader medisch onderzoek had hoeven aanbieden, omdat niet is gebleken dat de medische situatie van appellant is gewijzigd ten opzichte van de vorige procedure. Ook is de grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat de minister tijdens het horen geen rekening heeft gehouden met het in de eerste asielprocedure door Medifirst uitgebrachte advies. Appellant betoogt dat de medische informatie die voorafgaand aan het gehoor is overgelegd, aanleiding had moeten zijn om Medifirst in te schakelen. Ook betoogt hij dat niet mag worden uitgegaan van het in de eerdere asielprocedure uitgebrachte Medifirst-advies, omdat er bij het opstellen van dat advies geen medische stukken van appellant zijn betrokken. Verder betoogt appellant dat hij tijdens het gehoor meerdere malen heeft aangegeven dat het niet goed met hem ging.
2.1. Ingevolge artikel 3.118b, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 3.109, vijfde lid, van het Vb 2000, blijft bij een opvolgende aanvraag medisch onderzoek in beginsel achterwege. Als informatie over de vreemdeling of het gedrag of uitlatingen van de vreemdeling voorafgaand of tijdens het gehoor daar aanleiding toe geven, moet de minister ingevolge artikel 3.108b van het Vb 2000 alsnog een medisch advies opvragen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1584, onder 3.2.
2.2. Appellant klaagt terecht over de overweging van de rechtbank dat de minister geen nader medisch advies had hoeven inwinnen bij Medifirst. De minister beschikte voorafgaand aan het gehoor over de door appellant overgelegde medische informatie en heeft bij aanvang van het gehoor medegedeeld dat hij hiervan kennis heeft genomen. In het medisch journaal van appellant zijn tientallen episodes van ernstige PTSS vermeld die ook dateren van na de eerdere asielprocedure. In de brief van Kleur GGZ is vermeld dat bij appellant de diagnose PTSS is vastgesteld en is de aard van de behandeling en soort medicatie benoemd. Tijdens het gehoor is een aantal keer geconstateerd dat appellant voor zich uit staarde, afwezig was en niet hoorde wat er gevraagd werd. Op de vraag hoe het met hem ging, reageerde appellant emotioneel. Appellant verklaarde dat hij in de war raakt, zich slecht kan concentreren en het lastig vindt om zijn hoofd erbij te houden. Gelet op de medische informatie over appellant en zijn geconstateerde gedrag, had de minister, naar het oordeel van de Afdeling, aanleiding moeten zien het gehoor af te breken en alsnog Medifirst moeten inschakelen. Dat er wel een Medifirst-advies van 24 november 2021 was uit de eerdere asielprocedure, maakt dat niet anders. De verklaring van appellant aan het begin van het gehoor dat hij in staat was om te worden gehoord is, gelet op de genoemde feiten en omstandigheden, evenmin reden om van het inschakelen van Medifirst af te zien. De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister het besluit van 6 oktober 2025 niet zorgvuldig heeft voorbereid (artikel 3:2 van de Awb).
2.3. De grief slaagt.
Conclusie
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 6 oktober 2025 in stand heeft gelaten. Omdat de minister een nieuw besluit op de aanvraag moet nemen, is het niet nodig om wat appellant verder heeft aangevoerd te bespreken. Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 19 januari 2026 in zaak nr. NL25.49461, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 6 oktober 2025 in stand heeft gelaten;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. V.V. Essenburg en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026
307-1183