Uitspraak 202407154/1/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3356
- Datum uitspraak
- 10 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 9 juni 2021 heeft het college aan [vergunninghouders] een omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van de agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning op [locatie] in Assendelft. De Taurushoeve exploiteert een melkveehouderij aan de Akere 7 in Assendelft. Het bestaande bedrijf valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij dit bedrijf horen twee bedrijfswoningen. De verleende omgevingsvergunning heeft betrekking op de tweede (voormalige) bedrijfswoning, gelegen aan de [locatie], waarvan [vergunninghouders] eigenaar zijn en die in planologisch opzicht deel uitmaakt van de melkveehouderij. De Taurushoeve vreest in haar uitbreidingsmogelijkheden te worden beperkt als gevolg van de verleende omgevingsvergunning voor het gebruik van deze bedrijfswoning als plattelandswoning.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Project strijd bestemmingsplan
- Vee e.a. dieren
Toon inhoud
202407154/1/R1.
Datum uitspraak: 10 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
V.O.F. De Taurushoeve, gevestigd in Assendelft, gemeente Zaanstad,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 9 juni 2021 heeft het college aan [vergunninghouders] een omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van de agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning op [locatie] in Assendelft.
Bij besluit van 15 oktober 2024 heeft het college het door de Taurushoeve daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft de Taurushoeve beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[vergunninghouders] hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Taurushoeve, [vergunninghouders] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2026, waar de Taurushoeve, vertegenwoordigd door mr. E. Erkamp, rechtsbijstandsverlener in Amsterdam, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. C.J. Loggen-Ten Hoopen, advocaat in Hoofdorp, R.J. Hoefnagel en R. Munts, zijn verschenen. Ook zijn op de zitting [vergunninghouders], bijgestaan door mr. J.C. Vijfhuizen, rechtsbijstandsverlener in Ermelo, en [persoon], gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 22 maart 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. De Taurushoeve exploiteert een melkveehouderij aan de Akere 7 in Assendelft. Het bestaande bedrijf valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij dit bedrijf horen twee bedrijfswoningen. De verleende omgevingsvergunning heeft betrekking op de tweede (voormalige) bedrijfswoning, gelegen aan de [locatie], waarvan [vergunninghouders] eigenaar zijn en die in planologisch opzicht deel uitmaakt van de melkveehouderij. De Taurushoeve vreest in haar uitbreidingsmogelijkheden te worden beperkt als gevolg van de verleende omgevingsvergunning voor het gebruik van deze bedrijfswoning als plattelandswoning.
3. De Afdeling heeft bij uitspraak van 3 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2706) een eerder besluit op het door de Taurushoeve tegen het besluit van 9 juni 2021 gemaakte bezwaar vernietigd. Daarbij heeft de Afdeling bepaald dat tegen het nieuwe besluit slechts beroep bij haar kan worden ingesteld. Met het besluit van 15 oktober 2024 heeft het college het door de Taurushoeve tegen het besluit van 9 juni 2021 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning gehandhaafd. In beroep is opnieuw de vraag aan de orde of het college de omgevingsvergunning voor de plattelandswoning mocht verlenen.
4. Het gebruik van de bedrijfswoning als plattelandswoning is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied Assendelft". Het perceel is daarin bestemd tot "Agrarisch met waarden". Op grond van artikel 4.1 van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden onder meer bestemd voor één bedrijfswoning per bouwvlak. Een plattelandswoning, die door derden (niet werkzaam op of anderszins verbonden met het agrarische bedrijf) bewoond mag worden, valt daar niet onder.
Het college heeft de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 4.5.3 van de planregels. Op grond van laatstegnoemde bepaling is het gebruik van de bedrijfswoning als plattelandswoning mogelijk als derden hier niet door worden belemmerd. In het besluit van 15 oktober 2024 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat er, uitgaande van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is ter plaatse van [locatie]. De Taurushoeve bestrijdt dat.
Is er ter plaatse van de plattelandswoning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat?
5. De Taurushoeve betoogt dat het college geen omgevingsvergunning voor het gebruik als plattelandswoning heeft kunnen verlenen, omdat niet is aangetoond dat er ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. Volgens de Taurushoeve zijn het rapport van Craeft Advies van 14 oktober 2024 (rapport) en een locatiespecifiek geuronderzoek van Buro Blauw van oktober 2024 (geuronderzoek) onzorgvuldig tot stand gekomen en gebrekkig geformuleerd. Ter onderbouwing hiervan verwijst de Taurushoeve naar het rapport van LBP|SIGHT van 16 december 2025 (contra-expertise). Het college heeft het rapport en het geuronderzoek daarom niet kunnen gebruiken om het standpunt te onderbouwen dat er ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is.
5.1. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs.
Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat de partij over het advies heeft aangevoerd.
Buro Blauw heeft op 24 maart 2026 een reactie gegeven op de contra-expertise.
5.2. De Taurushoeve voert aan dat het college het rapport en het geuronderzoek niet heeft kunnen gebruiken omdat in de geurberekening van Buro Blauw ten onrechte niet alle bestaande geurbronnen zijn meegenomen. Ter onderbouwing van dit standpunt voert zij verschillende argumenten aan. Een van die argumenten is dat er volgens de Taurushoeve één voersilo te weinig is gemodelleerd. Het stuk waarin de Taurushoeve hierop wijst is echter vlak voor de zitting ingediend, op 24 april 2026.
De Afdeling betrekt het argument over het aantal voersilo’s niet bij de beoordeling van het beroep, omdat zij van oordeel is dat de goede procesorde zich daartegen verzet. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de overige partijen door het late tijdstip van aanvoeren van dit argument onvoldoende tijd hadden om hier adequaat op te reageren. De Afdeling ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden zodat dit argument alsnog bij de procedure kan worden betrokken. Als hier alsnog de mogelijkheid voor zou worden geboden, dan zou dat leiden tot een onaanvaardbare vertraging van de procedure. De Afdeling betrekt daarbij dat het argument eerder had kunnen worden aangevoerd en dat het de nodige deskundigheid vereist om hier adequaat op te reageren.
5.3. De Taurushoeve voert ter onderbouwing van haar standpunt dat ten onrechte niet alle bestaande geurbronnen zijn meegenomen in de geurberekening daarnaast aan dat de geuremissie van haar bestaande ligbox had moeten worden meegenomen in de berekening.
Op de zitting is toegelicht dat Buro Blauw de ligbox niet heeft meegenomen in geurberekening omdat de geurhinder daarvan verwaarloosbaar is. Melkveerunderen zijn namelijk dieren zonder geuremissiefactor. De Taurushoeve heeft dit niet gemotiveerd bestreden, noch onderbouwd hoe die geuremissie berekend zou moeten worden. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding om aan te nemen dat bestaande geurbronnen ten onrechte niet zijn meegenomen in de geurberekening van Buro Blauw.
5.4. De Taurushoeve voert ook aan dat het college het rapport en het geuronderzoek niet heeft kunnen gebruiken omdat in de geurberekening van Buro Blauw ten onrechte twee alternatieve locaties voor een mestopslag niet cumulatief zijn beschouwd. Optie A in de geurberekening van Buro Blauw is een mestopslag ten noordwesten van de stallen. Optie B in de geurberekening van Buro Blauw is een mestopslag voor de woning op de locatie de Akere 7.
De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in de geurberekening van Buro Blauw ten onrechte optie A en B niet cumulatief zijn beschouwd. Beide opties zijn beoordeeld en de conclusie is dat er ter plaatse van [locatie] wordt voldaan aan het aanvaardbaar hinderniveau voor type 2 bestemmingen volgens het Zaans geurbeleid 2016. Buro Blauw heeft in haar reactie van 24 maart 2026 toegelicht dat de melkveehouderij van de Taurushoeve een vergund aantal melkveerunderen heeft met een bekende hoeveelheid mest. Op de zitting is nader toegelicht dat wanneer optie A en B cumulatief worden beschouwd, er twee mestopslagen zijn waarvan de bestaande mest en de daarbij optredende geuremissie wordt verdeeld. Bij een cumulatieve beschouwing van beide opties zal de geuremissie ter hoogte van de [locatie] ongeveer gelijk zijn aan de geuremissie die voor de opties A en B afzonderlijk is berekend. De Taurushoeve heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken.
5.5. De Taurushoeve heeft voor het eerst op de zitting aangevoerd dat een mogelijke realisatie van een nieuwe ligboxenstal ter hoogte van de noordzijde niet op een juiste manier is meegenomen in het rapport en het geuronderzoek en dat daarom niet is uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. De Afdeling is ook met betrekking tot dit argument van oordeel dat de goede procesorde zit ertegen verzet dat dit argument bij de beoordeling van het beroep wordt betrokken. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de Taurushoeve dit argument zodanig laat in de procedure naar voren heeft gebracht, dat de overige partijen door het late tijdstip van indienen onvoldoende tijd hadden om hier adequaat op te reageren. De Afdeling ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden zodat dit argument alsnog bij de procedure kan worden betrokken. Als hier alsnog de mogelijkheid voor zou worden geboden, dan zou dat leiden tot een onaanvaardbare vertraging van de procedure. De Afdeling betrekt daarbij dat het argument eerder had kunnen worden aangevoerd en dat het de nodige deskundigheid vereist om hier adequaat op te reageren.
Verder heeft de Taurushoeve geen argumenten aangevoerd waarom niet zou zijn uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. De Afdeling ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding voor het oordeel dat in het rapport en het geuronderzoek niet is uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden.
5.6. De Taurushoeve voert ten slotte aan dat het college het rapport en het geuronderzoek niet heeft kunnen gebruiken omdat de uitgangspunten die aan de toetsing aan het 99,5 percentiel ten grondslag liggen onjuist zijn. Op de zitting is duidelijk geworden dat de Taurushoeve met dit betoog doelt op de hiervoor onder 5.2 tot en met 5.5 behandelde argumenten. Zoals hiervoor is geconcludeerd, is er geen aanleiding voor de conclusie dat deze uitgangspunten onjuist zouden zijn. De verdere wijze van berekening is volgens de Taurushoeve correct.
5.7. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het beroep van de Taurushoeve geen aanleiding geeft voor de conclusie dat het rapport en het geuronderzoek onzorgvuldig tot stand zouden zijn gekomen of gebrekkig zouden zijn geformuleerd. Het college heeft het rapport en het geuronderzoek dan ook kunnen gebruiken om het standpunt te onderbouwen dat ter plaatse van de voorziene plattelandswoning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omdat het college naar het oordeel van de Afdeling voldoende heeft onderbouwd dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is ter plaatse van [locatie], mocht het college een omgevingsvergunning voor de plattelandswoning verlenen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
Proceskosten
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
8. [vergunninghouders] hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De Afdeling komt tot de conclusie dat dit verzoek moet worden toegewezen. Zij geeft hierna aan hoe zij tot dat oordeel komt en tot welke schadevergoeding dat leidt.
8.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1908), is voor een zaak die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vier jaren redelijk, gerekend vanaf het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Dit uitgangspunt geldt ook als, zoals in deze procedure, door de Afdeling een judiciële lus is toegepast.
8.2. Het college heeft het bezwaarschrift van de Taurushoeve tegen het besluit van 9 juni 2021 ontvangen op 20 juli 2021. Vanaf 20 juli 2021 tot aan de datum van deze uitspraak van de Afdeling zijn vier jaar en elf maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met elf maanden is overschreden.
8.3. Bij de toerekening van deze termijnoverschrijding en de daarvoor toe te kennen schadevergoeding hanteert de Afdeling de volgende uitgangspunten.
Indien in een zaak de zogenoemde judiciële lus is toegepast wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan, tenzij in de rechterlijke fase de redelijke behandelingsduur is overschreden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2949, onder 10.3). Indien in de loop van de hele procedure sprake is geweest van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat.
De redelijke behandelingsduur in beroep is niet overschreden als deze niet langer dan anderhalf jaar vanaf het instellen van het beroep heeft geduurd. De redelijke behandelingsduur in hoger beroep is niet overschreden als deze niet langer dan twee jaar na het instellen van het hoger beroep heeft geduurd.
8.4. De rechtbank heeft binnen de redelijke behandelingsduur van anderhalf jaar uitspraak gedaan op het bij haar ingestelde beroep. De Afdeling heeft binnen de redelijke behandelingsduur van twee jaar uitspraak gedaan op het bij haar ingestelde hoger beroep. De Afdeling heeft niet binnen de redelijke behandelingsduur van anderhalf jaar uitspraak gedaan op het bij haar ingestelde beroep tegen het besluit van 15 oktober 2024. De Afdeling heeft het beroepschrift van de Taurushoeve op 27 november 2024 ontvangen. De Afdeling heeft de redelijke behandelingsduur met één maand overschreden.
De overschrijding van de redelijke termijn met één maand moet gelet op het voorgaande voor 1/11 deel aan de Afdeling worden toegerekend en voor 10/11 aan het college.
8.5. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.000,00.
8.6. Het college en de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moeten ieder de helft van de proceskosten vergoeden die [vergunninghouders] hebben gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding. De Afdeling zal bij de berekening de wegingsfactor 0,5 (licht) hanteren.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep ongegrond;
II. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) om aan [vergunninghouders] een schadevergoeding van € 90,90 te betalen, te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad om aan [vergunninghouders] een schadevergoeding van € 909,10 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) tot vergoeding van bij [vergunninghouders] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad tot vergoeding van bij [vergunninghouders] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026
672-1188