Uitspraak BRS.26.002475
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3244
- Datum uitspraak
- 8 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 31 mei 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.002475
ECLI:NL:RVS:2026:3244
Datum uitspraak: 8 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
betrokkene,
tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 12 maart 2026 en haar einduitspraak van 20 april 2026 in zaak nr. NL22.10458 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 31 mei 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij verwijzingsuitspraak van 20 juni 2024 heeft de rechtbank het Hof van Justitie van de Europese Unie verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de in die uitspraak gestelde vragen, de behandeling van het door betrokkene tegen het besluit van 31 mei 2022 ingestelde beroep geschorst en elke verdere beslissing aangehouden.
Bij arrest van 29 januari 2026, Multan, ECLI:C:EU:C:2026:53, heeft het Hof de in de verwijzingsuitspraak gestelde vragen beantwoord.
Bij tussenuitspraak van 12 maart 2026 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om een aan het besluit van 31 mei 2022 klevend gebrek te herstellen.
Bij uitspraak van 20 april 2026 heeft de rechtbank het door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraken heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2. Het hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom en gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft hij een voorlopige voorziening.
3. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. M. Den Heyer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.
w.g. Den Heyer
voorzieningenrechter
w.g. Toonen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026
987