Uitspraak 202305389/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3156
- Datum uitspraak
- 2 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202305389/1/V1.
Datum uitspraak: 2 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 24 juli 2023 in zaak nr. NL22.22188 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij besluit van 20 maart 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van appellant ingewilligd.
Naar aanleiding hiervan heeft appellant het beroep ingetrokken en tegelijk daarmee de rechtbank verzocht om de staatssecretaris te veroordelen in de kosten die hij in verband met de behandeling van het beroep heeft gemaakt.
Bij uitspraak van 24 juli 2023 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Habib-Portier, advocaat in Oss, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant heeft het beroep ingetrokken en gelijktijdig de rechtbank verzocht om de minister krachtens artikel 8:75a van de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan hem is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het beroep anderszins door toedoen van de minister is vervallen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1).
2. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, prejudiciële vragen gesteld over de vraag of de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn met negen maanden mocht verlengen. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, Zimir, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op die vragen. De Afdeling heeft op 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1749, einduitspraak gedaan, waarin zij tot de conclusie is gekomen dat WBV 2022/22 onverbindend is.
3. De aanvraag van appellant om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) van 12 april 2022 valt onder het toepassingsbereik van WBV 2022/22. Aangezien WBV 2022/22 onverbindend is, had de minister zes maanden de tijd om een besluit te nemen op de asielaanvraag van appellant. De minister heeft op 20 maart 2023 een besluit genomen. De minister is aan appellant tegemoetgekomen aangezien hij hangende de procedure tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag alsnog een besluit heeft genomen. De Afdeling ziet aanleiding om de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant te veroordelen.
4. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
5. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de in verband met het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden. Het beroep en het hoger beroep gaan uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 24 juli 2023 in zaak nr. NL22.22188;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Wilde
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026
598