Uitspraak 202307464/1/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3188
- Datum uitspraak
- 3 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 19 september 2023 heeft de raad van de gemeente Krimpenerwaard het bestemmingsplan "Gemeentehuis Provincialeweg 5a, Bergambacht" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van een nieuw gemeentehuis met bijbehorende parkeergelegenheid voor de gemeente Krimpenerwaard aan de Provincialeweg 5a in Bergambacht, ten westen van de Veerweg. Daarnaast voorziet het plan in de aanleg van een nieuw natuurgebied, ten zuiden van het voorziene gemeentehuis. Op grond van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2011" hadden de gronden van het plangebied een bedrijfsbestemming. In het voorliggende plan hebben de gronden deels de bestemming "Maatschappelijk" en deels de bestemming "Natuur". [appellante] woont en heeft haar boerderij ten noorden van het plangebied tegenover het voorziene gemeentehuis. [appellante] kan zich niet met het plan verenigen, onder meer omdat zij de locatie niet geschikt vindt voor een gemeentehuis met de geplande omvang.
- Eerste aanleg - meervoudig
- RO - Zuid-Holland
Toon inhoud
202307464/1/R3.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in Bergambacht, gemeente Krimpenerwaard,
appellante,
en
de raad van de gemeente Krimpenerwaard,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 19 september 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Gemeentehuis Provincialeweg 5a, Bergambacht" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 januari 2026, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. A. Bouwman-van Blarkom en mr. T.E.P.A. Lam, advocaat in Nijmegen, zijn verschenen. [appellante] heeft, samen met [persoon], via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 18 januari 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van een nieuw gemeentehuis met bijbehorende parkeergelegenheid voor de gemeente Krimpenerwaard aan de Provincialeweg 5a in Bergambacht, ten westen van de Veerweg. Daarnaast voorziet het plan in de aanleg van een nieuw natuurgebied, ten zuiden van het voorziene gemeentehuis. Op grond van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2011" hadden de gronden van het plangebied een bedrijfsbestemming. In het voorliggende plan hebben de gronden deels de bestemming "Maatschappelijk" en deels de bestemming "Natuur".
3. [appellante] woont en heeft haar boerderij ten noorden van het plangebied tegenover het voorziene gemeentehuis. [appellante] kan zich niet met het plan verenigen, onder meer omdat zij de locatie niet geschikt vindt voor een gemeentehuis met de geplande omvang.
4. De relevante planregels zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage is onderdeel van de uitspraak.
Toetsingskader
5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Beroepsgronden
Participatie
6. [appellante] betoogt dat er geen sprake is geweest van burgerparticipatie. Daarover heeft zij op de zitting toegelicht dat zij in een eerder stadium bij het plan betrokken had willen worden.
6.1. Het bestemmingsplan is voorbereid met toepassing van de uniforme voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpplan is ter inzage gelegd, waarover zienswijzen naar voren konden worden gebracht. [appellante] heeft van die mogelijkheid gebruikgemaakt. De raad heeft blijkens de zienswijzennota op de zienswijze van [appellante] gereageerd. Andere vormen van participatie en inspraak maken geen deel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Overigens hebben er volgens de raad aanvullend op de wettelijke bestemmingsplanprocedure meerdere bewonersbijeenkomsten plaatsgevonden en is de raad in het voortraject twee keer met [appellante] in gesprek gegaan over de voorgenomen plannen.
Het betoog slaagt niet.
Nut en noodzaak
7. [appellante] betoogt dat nieuwbouw van het gemeentehuis niet nodig is, omdat de huidige gemeentekantoren voldoen. Daarover voert zij aan dat tegenwoordig veel mensen thuiswerken en de huidige gemeentekantoren voldoende ruimte bieden. Daarnaast liggen die gemeentekantoren verspreid in de diverse kernen, waardoor die toegankelijk zijn voor iedere burger. Op de zitting heeft [appellante] toegelicht dat zij het zonde vindt dat gemeenschapsgeld wordt uitgegeven aan een ontwikkeling, die in haar ogen niet noodzakelijk is. Bovendien leidt het vervallen van de huidige gemeentekantoren volgens haar tot negatieve gevolgen voor de dorpskernen waar ze nu nog gevestigd zijn.
7.1. De raad heeft in voorbereiding op het plan een zogenoemde businesscase laten uitvoeren, waarbij verschillende scenario's zijn onderzocht. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Business case gemeentekantoren (incl. effecten coronacrisis)" van Hevo van 21 mei 2021. Daarin staat dat onder andere is gekeken naar het behoud van de huidige gemeentekantoren en dat de mogelijkheid voor een nieuw centraal gelegen gemeentehuis is onderzocht. Naar aanleiding van de businesscase, heeft de raad in een raadsbesluit van 21 december 2021 besloten tot nieuwbouw. In paragraaf 3.1.3 van de plantoelichting staat hierover dat nieuwbouw op een nieuwe locatie, centraal gelegen in de Krimpenerwaard, de meest optimale oplossing is uit een oogpunt van duurzaamheid, dienstverlening, bedrijfsvoering, bereikbaarheid voor personeel en inwoners en financiën.
7.2. De Afdeling stelt vast dat in de businesscase verschillende scenario’s zijn onderzocht, waaronder het behoud van de huidige gemeentekantoren. Hieruit volgt dat het scenario nieuwbouw op een nieuwe plek de beste score krijgt. Daarbij zijn ook de aspecten toegankelijkheid en thuiswerken, waarop [appellante] wijst, betrokken. [appellante] heeft de businesscase op zichzelf niet betwist. De Afdeling ziet in wat [appellante] heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad redelijkerwijs niet voor nieuwbouw heeft kunnen kiezen.
Het betoog slaagt niet.
Locatie
8. [appellante] betoogt dat de keuze voor de locatie van het gemeentehuis onvoldoende is onderbouwd en dat deze locatie niet gepast is. Daarover voert zij aan dat een gemeentehuis dichtbij burgers en bedrijven hoort te zijn en dat is volgens haar met dit plan niet het geval. Volgens [appellante] wordt bebouwing met de omvang van het voorziene gemeentehuis normaal gesproken door de raad in het buitengebied niet toegestaan en is verdichting daar volgens haar niet gewenst. Bovendien is de strook tussen de N210 en het natuurgebied waarop het gemeentehuis is voorzien, niet bedoeld voor bebouwing. Die strook vormt volgens [appellante] een buffer voor het natuurgebied. Door het gemeentehuis daarin te plaatsen wordt de ruimte voor de natuur en weidevogels verkleind. Tot slot zorgt het plan op deze locatie volgens [appellante] voor verrommeling van de doorkijk en zichtlijnen naar het achterliggende natuurgebied.
[appellante] betoogt verder dat de raad onvoldoende naar alternatieve locaties heeft gekeken. Volgens haar had de raad moeten kiezen voor een locatie aan de oostkant van Bergambacht, omdat het gemeentehuis daar al in het bestemmingsplan past. Bovendien zijn op die locatie de benodigde verkeersmaatregelen, zoals een rotonde met een vrije poot, al getroffen, zodat het gebied daar veilig kan worden ontsloten.
8.1. In paragraaf 3.1.3 van de plantoelichting staat dat de raad in voorbereiding op het plan meerdere onderzoeken naar een geschikte locatie heeft laten uitvoeren, waarbij aan de hand van verschillende beoordelingscriteria 9 potentiële locaties zijn onderzocht. Voor de beoordeling is onder meer gekeken naar de ligging van de locaties, de bereikbaarheid en de beschikbare ruimte. Naar aanleiding van dat onderzoek heeft de raad besloten om de locatie van het plangebied aan de Veerweg als voorkeursgebied aan te wijzen, omdat dat gebied het best voldoet aan de gestelde beoordelingscriteria. Daarnaast heeft de raad het college de opdracht gegeven om een locatievoorstel te doen aan de hand van een door hem opgestelde nota van uitgangspunten, die als bijlage 3 bij de plantoelichting zit. Daaruit volgt eveneens dat het gebied Veerweg in Bergambacht het meest geschikt is voor het gemeentehuis, omdat dat gebied aan alle uitgangspunten uit de nota voldoet. Bij de locatiekeuze heeft de raad volgens de plantoelichting tot slot van belang geacht dat het gemeentehuis is ingepast in de nabijheid van andere overheidsdiensten en aan twee cruciale verbindingswegen ligt.
8.2. De Afdeling ziet in wat [appellante] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad de locatiekeuze onvoldoende heeft onderbouwd. Zoals hiervoor is overwogen heeft de raad voor de locatiekeuze meerdere locaties onderzocht, waarbij de gekozen locatie als meest geschikt naar voren is gekomen. [appellante] heeft dat op zichzelf niet bestreden en wat [appellante] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad desondanks niet voor deze locatie heeft kunnen kiezen. De stelling van [appellante] dat het gemeentehuis met het plan te ver van burgers en bedrijven komt te staan, heeft zij niet geconcretiseerd. De Afdeling ziet geen aanleiding om dit betoog te volgen. Ook de enkele stelling dat verdichting in het buitengebied volgens haar niet gewenst is, is onvoldoende voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid voor deze locatie heeft kunnen kiezen. Daarnaast volgt de Afdeling [appellante] niet in haar betoog dat de strook waarop het gemeentehuis is voorzien vanwege natuur en weidevogels niet zou mogen worden bebouwd. Deze gronden waren in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied - 2011" ook niet bestemd voor groen en liggen, zoals ook de raad stelt, buiten het Natuurnetwerk Nederland zodat de gronden ook niet om die reden beschermd worden. Verder staat in de "Quickscan Wet natuurbescherming Veerweg ong. te Bergambacht" van Blom ecologie van 25 maart 2022, die als bijlage 11 bij de plantoelichting zit, dat het gemeentehuis niet ligt binnen een zogeheten 'belangrijk weidevogelgebied' en dat het op het dichtstbijzijnde weidevogelgebied geen effect heeft. De omstandigheid dat [appellante] de natuur- en ecologische waarden van de strook anders waardeert, brengt niet mee dat de raad niet in redelijkheid een andere keuze dan [appellante] heeft kunnen maken. Tot slot heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling meer gewicht mogen toekennen aan het belang van de in het plan voorziene ontwikkeling, dan aan het belang van [appellante] bij haar behoud van een vrij uitzicht op het natuurgebied. Daarbij betrekt de Afdeling dat er in het algemeen geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht en uit het inpassingsplan, dat is opgenomen in bijlage 1 bij de planregels en op grond van artikel 3.4.5 van de planregels als voorwaardelijke verplichting aan het gebruik van de gronden voor het gemeentehuis is verbonden, volgt dat het gemeentehuis zo groen en natuur inclusief mogelijk wordt ingepast.
In zoverre slaagt het betoog niet.
8.3. Over het betoog van [appellante] over alternatieve locaties oordeelt de Afdeling verder als volgt.
De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen.
De raad heeft in het locatieonderzoek meerdere alternatieve locaties onderzocht, waaronder het door [appellante] naar voren gebrachte alternatief. Die locaties zijn echter als minder geschikt beoordeeld, mede omdat die locaties voor andere ontwikkelingen zullen worden aangewend en het gemeentehuis binnen het plangebied van het voorliggende plan beter bereikbaar is door de ligging bij de kruising van de N210 en N207.
Daarom heeft de raad het door [appellante] voorgestelde alternatief afgewogen bij de vaststelling van het plan en toereikend gemotiveerd waarom niet voor dat alternatief is gekozen.
In zoverre slaagt het betoog ook niet.
Situering gemeentehuis
9. [appellante] is het niet eens met de situering van het bouwvlak op het perceel. Volgens haar kan het gemeentehuis verder naar achteren worden geplaatst, zodat er aan de voorzijde ruimte is voor een vriendelijke uitstraling door de aanleg van natuur en water. Daarbij zou de rooilijn van de overige gebouwen moeten worden gevolgd, zodat de rooilijn van het gemeentehuis overeenkomt met die van het nabijgelegen politiebureau. Indien dat niet mogelijk is vanwege het in het plangebied gelegen natuurgebied, zou dat volgens [appellante] een reden moeten zijn om het gemeentehuis niet op deze locatie te situeren.
9.1. De Afdeling ziet in wat [appellante] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad het plan voor zover het betreft de situering van het bouwvlak niet op deze wijze heeft mogen vaststellen. Daarbij betrekt de Afdeling dat, zoals ook door de raad gesteld, bij verplaatsing van het bouwvlak in zuidelijke richting het bouwvlak in het Natuurnetwerk Nederland komt te liggen. De raad heeft redelijkerwijs een groter gewicht kunnen toekennen aan de bescherming van dat gebied, dan aan het belang van [appellante] bij het verder naar achteren plaatsen van het gemeentehuis. Daarbij betrekt de Afdeling dat de afstand van de woning tot de rand van het gemeentehuis ongeveer 70 meter is en daarmee relatief groot. Ook betrekt de Afdeling daarbij dat uit het - onder 8.2. genoemde - inpassingsplan volgt dat het gemeentehuis zal worden omringd door groen en water, waarmee rekening is gehouden met de uitstraling van de ontwikkeling en het natuurgebied ten zuiden van het voorziene gemeentehuis.
Het betoog slaagt niet.
Bebouwingsmogelijkheden
10. [appellante] betoogt dat de omvang van het in het plan voorziene gemeentehuis dat bestaat uit 3 gebouwen met 3 bouwlagen niet passend is binnen de natuuromgeving. Volgens haar zijn 2 lagen genoeg en zou niet hoger gebouwd moeten worden dan het naastgelegen politiebureau.
10.1. De raad stelt onder verwijzing naar de ruimtestaat in bijlage 5 bij het verweerschrift dat voor het gemeentehuis een bruto vloeroppervlak van ongeveer 7.163 m2 nodig is. Volgens de raad is dit nodig om de gemeentelijke kantoor- en vergaderfuncties en publieke voorzieningen te huisvesten, waarbij rekening is gehouden met thuiswerken. Verder heeft de Commissie ruimtelijke kwaliteit volgens de raad positief geadviseerd over de stedenbouwkundige inpassing en het ontwerp, waardoor er volgens de raad geen stedenbouwkundige reden is om de in het plan mogelijk gemaakte omvang van het gemeentehuis aan te passen.
10.2. Binnen de bestemming "Maatschappelijk" is een bouwvlak opgenomen van ongeveer 5.500 m2, waarvan 60% mag worden bebouwd. De maximale goothoogte is 14 meter en de maximale bouwhoogte is 16 meter. Dit volgt uit artikel 3.2.1, onder c en d, van de planregels, in combinatie met de aanduidingen op de verbeelding.
10.3. [appellante] heeft de benodigde ruimte niet betwist en het betoog dat de omvang van het gemeentehuis niet passend is in deze omgeving niet geconcretiseerd. De Afdeling ziet in wat [appellante] heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre niet op deze wijze heeft mogen vaststellen.
Het betoog slaagt niet.
Verkeer
11. [appellante] betoogt dat er bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening is gehouden met de bereikbaarheid van het gemeentehuis, mede gelet op het grote aantal mensen dat er komt te werken en de bezoekers van het gemeentehuis. Zij wijst erop dat het gemeentehuis aan een van de drukste kruispunten van de gemeente ligt. Daarnaast zitten de provinciale wegen die naar het gemeentehuis leiden volgens haar nu al aan hun maximale capaciteit, waardoor ze niet zijn toegerust op de verkeersstromen die het plan genereert, en is het gemeentehuis volgens haar ook niet goed bereikbaar met het openbaar vervoer. Gelet hierop moeten volgens haar de extra diensten die in het gemeentehuis kunnen worden aangeboden, worden uitgesloten vanwege de verkeersaantrekkende werking. Het gaat daarbij volgens haar onder meer om zaalverhuur en horeca.
[appellante] betoogt verder dat er geen ruimte is voor een eigen afrit bij het gemeentehuis, waardoor het vertrekkende verkeer via een fietspad of ventweg moet worden ontsloten, terwijl dat zeer onveilig is. Bovendien moeten fietsers en voetgangers de provinciale wegen oversteken om het gemeentehuis te bereiken. Dat zorgt enerzijds voor onveilige situaties en anderzijds voor een belemmering van de doorstroming van die wegen. Volgens [appellante] wordt er nu al in de berm geparkeerd, wat de verkeerssituatie bij en rondom het gemeentehuis nog onveiliger maakt. Op de zitting heeft [appellante] nog naar voren gebracht dat de voorgestelde ontsluiting, die de raad onder andere als bijlage bij het verweer heeft gevoegd, volgens haar niet voldoende is om een veilige situatie voor verkeer te creëren.
11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voldoende rekening is gehouden met de bereikbaarheid van het gemeentehuis en de afwikkeling van het verkeer dat het plan genereert. De raad wijst in dat kader op een notitie van Iv-Infra van 31 mei 2022 (de verkeersnotitie), die als bijlage 15 bij de plantoelichting zit, en een toelichting van Iv-Infra van 22 december 2022 (de verkeerstoelichting), die als bijlage 16 bij de plantoelichting zit. In die onderzoeken staat dat de toename aan verkeersbewegingen op de provinciale wegen aanvaardbaar en relatief beperkt is. De raad stelt verder dat de verkeersaantrekkende werking van extra diensten die zijn toegestaan beperkt is, mede omdat het plan horeca alleen ten dienste van maatschappelijke voorzieningen toestaat en publieke bijeenkomsten in zalen beperkt zijn tot huwelijksvoltrekkingen in de trouwzaal. Daarnaast is er nabij het gemeentehuis op de Veerweg een bushalte, zodat het plangebied goed bereikbaar is met het openbaar vervoer. Om de afwikkelingsproblemen die mogelijk ontstaan door de toename aan verkeersbewegingen op de Veerweg en de bestaande vormgeving van het kruispunt parallelweg N210-Veerweg te verhelpen, is in de verkeerstoelichting geadviseerd om de ontsluiting aan te passen. In dat kader is de raad voornemens de ontsluiting van het gemeentehuis aan te passen overeenkomstig die verkeerstoelichting, een notitie van Iv-Infra van 21 maart 2024 en de daarbij behorende situatietekening, die als bijlagen bij het verweerschrift zijn gevoegd. Op die wijze kan worden voorzien in een veilige verkeersafwikkeling voor alle verkeersdeelnemers.
11.2. De Afdeling overweegt dat de manier waarop de ontsluiting verkeerstechnisch exact wordt ingericht, niet in een bestemmingsplan hoeft te worden geregeld. Verkeerstechnische aspecten hebben namelijk geen betrekking op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. In deze procedure komt in het kader van de uitvoerbaarheid van het plan aan de orde de vraag of de raad zich voldoende ervan heeft vergewist dat een aanvaardbare verkeerssituatie en verkeersafwikkeling in en om het plangebied kan worden gerealiseerd (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:485, onder 7.3, en 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2185, onder 23.5). Dat heeft de raad onder meer gelet op de verkeerstoelichting gedaan. Daaruit volgt dat er voldoende ruimte is voor het creëren van een veilige ontsluiting voor auto's, fietsers en voetgangers. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het mogelijk is voor verkeer een aanvaardbare situatie te creëren. [appellante] heeft verder niet onderbouwd dat de ontsluiting zoals beschreven in de verkeerstoelichting onvoldoende is om tot een verkeersveilige situatie te komen. Overigens heeft de raad op de zitting nog toegelicht dat het gemeentehuis pas in gebruik zal worden genomen, nadat die gewenste ontsluiting is gerealiseerd. Tot slot ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat in de verkeersonderzoeken rekening had moeten worden gehouden met een verkeersaantrekkende werking van horeca en zaalverhuur. Op grond van artikel 3.1 van de planregels zijn uitsluitend ondergeschikte diensten toegestaan. De raad heeft zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat dat maar tot een beperkte verkeerstoename zal leiden.
Het betoog slaagt niet.
Parkeren
12. [appellante] betoogt dat het creëren van parkeerplaatsen aan de voorkant van het gemeentehuis onnodig en onveilig is. Daarover voert zij aan dat voorbijrijdend verkeer hinder ondervindt van de koplampen van de auto's die bij het gemeentehuis parkeren. Daarnaast leiden deze inschijnende koplampen tot een aantasting van haar woon- en leefklimaat. Tot slot moet er volgens haar natuur worden opgeofferd voor de aanleg van de parkeerplaatsen. Om die reden had er volgens [appellante] moeten worden gekozen voor een parkeervoorziening onder het gemeentehuis.
12.1. Op grond van artikel 3.4.5 van de planregels is aan het gebruik van de gronden voor het gemeentehuis de voorwaardelijke verplichting verbonden dat het plangebied moet worden ingericht en in stand gehouden overeenkomstig het inpassingsplan, dat als bijlage 1 bij de planregels is gevoegd. De Afdeling stelt vast dat uit dat inpassingsplan volgt dat de parkeerplaatsen aan de oostzijde van het gemeentehuis moeten worden gesitueerd.
12.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat de koplampen van parkerende auto's geen onaanvaardbare hinder zullen veroorzaken. Daarbij betrekt de Afdeling de toelichting van de raad dat de afstand van de woning van [appellante] tot de voorziene parkeerplaatsen ongeveer 70 meter is, en dus relatief groot, en dat auto’s het gemeentehuis aan de oostzijde zullen verlaten, waardoor de koplampen bij het wegrijden niet richting het huis van [appellante] schijnen. Om die reden is naar het oordeel van de Afdeling ook niet aannemelijk dat de koplampen hinder zullen veroorzaken voor verkeer dat op de provinciale weg aan de voorkant van het gemeentehuis voorbij rijdt. Dat heeft [appellante] ook niet anderszins aannemelijk gemaakt. Bovendien volgt uit het inpassingsplan dat er bomen zullen worden geplaatst rondom het parkeerterrein, waardoor de vermeende hinder in ieder geval deels wordt weggenomen. Tot slot ziet de Afdeling in wat [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege het behoud van natuur redelijkerwijs had moeten voorzien in een ondergrondse parkeervoorziening. Daarvoor heeft de raad van belang mogen achten dat op de gronden weliswaar feitelijk groen aanwezig is, maar deze gronden in het vorige plan ook niet waren bestemd voor groen en, gelet op het inpassingsplan, er elders in het plangebied ook weer groen terugkomt.
Het betoog slaagt niet.
12.3. Nu het betoog van [appellante] op dit punt niet slaagt, behoeft het betoog van de raad in het verweerschrift over het relativiteitsvereiste geen bespreking.
Onvoldoende rekening houden met boerderijen
13. [appellante] betoogt dat onvoldoende rekening is gehouden met de tegenover het plangebied gelegen boerderijen. Volgens [appellante] beperkt het plan de boerderijen in hun uitvoering en toekomstmogelijkheden. Volgens haar heeft de raad niet met haar geparticipeerd om een toekomstbestendig perspectief mogelijk te maken.
13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan geen beperking voor de veehouderij van [appellante] vormt. In het "Onderzoek agrarische geurhinder", van 3 juni 2022, dat als bijlage 7 bij de plantoelichting zit, staat dat wordt voldaan aan de minimaal vereiste afstand en dat de geurnorm evenmin wordt overschreden. De geuremissie van de veehouderij van [appellante] zou volgens de raad zelfs nog kunnen toenemen.
13.2. [appellante] heeft het geuronderzoek niet betwist en ook anderszins niet onderbouwd waarom het plan leidt tot een aantasting van haar uitbreidingsmogelijkheden. Gelet hierop ziet de Afdeling in wat is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad meer rekening had moeten houden met de boerderij van [appellante] dan hij heeft gedaan.
Het betoog slaagt niet.
Reflectie en verlichting gemeentehuis
14. Voor zover [appellante] op de zitting nog heeft betoogd dat zij overlast van het gemeentehuis ervaart, doordat geluid reflecteert en de lichten in het gemeentehuis tot laat aanstaan, en dat reden zou moeten zijn om het besluit tot vaststelling van het plan te vernietigen, heeft zij dat betoog niet geconcretiseerd, zodat dat betoog niet slaagt.
Conclusie en proceskosten
15. Het beroep is ongegrond.
16. De raad hoeft geen proceskosten voor het beroep te vergoeden.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
17. [appellante] heeft op de zitting verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
18. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling.
19. De Afdeling heeft het beroepschrift van [appellante] ontvangen op 5 december 2023. De redelijke termijn is in deze procedure dus met 6 maanden overschreden.
20. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 500,00.
21. De Staat hoeft geen proceskosten voor het verzoek te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep ongegrond;
II. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellante] een schadevergoeding van € 500,00 te betalen.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Buskermolen, griffier.
w.g. Van Ravels
voorzitter
w.g. Buskermolen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
896-1157
BIJLAGE
Bestemmingsplan "Gemeentehuis Provincialeweg 5a, Bergambacht"
Artikel 3.1
De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. de maatschappelijke voorzieningen in de vorm van overheidsvoorzieningen, al dan niet met daaraan ondergeschikte:
1. Overige maatschappelijke voorzieningen;
2. Horeca ten dienste van maatschappelijke voorzieningen;
3. Expositie en verkoop van de met maatschappelijke voorzieningen samenhangende artikelen;
[…].
3.2.1
a. gebouwen en overkappingen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen luifels met zonnepanelen buiten het bouwvlak gebouwd worden;
c. de goot- en bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' aangegeven goot- en bouwhoogte, met dien verstande dat de maximale goot- en bouwhoogte met 2 m overschreden mag worden ten behoeve van technische installaties zoals liftopbouwen, afvoerkanalen, luchtbehandelingsinstallaties, ontvangstinstallaties en antennes;
d. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste het ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven bebouwingspercentage van het bouwvlak.
Artikel 3.4.5
Het gebruik als bedoeld in artikel 3.1 is uitsluitend toegestaan, indien:
a. de gronden met de bestemming 'Maatschappelijk', binnen 36 maanden na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw als bedoeld in artikel 3.2.1, ingericht en in stand gehouden worden overeenkomstig het inpassingsplan, dat als bijlage 1 bij de regels is gevoegd;
b. de gronden met de bestemming 'Natuur', binnen 36 maanden na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw als bedoeld in artikel 3.2.1, ingericht en in stand gehouden worden als natuurgebied, overeenkomstig de natuurbeheertypen die in bijlage 2 bij de regels worden beschreven en met inachtneming van de drinkwatervoorziening ter plaatse.
Bestemmingsplan voor bouw van nieuw gemeentehuis voor gemeente Krimpenerwaard
Uitspraak over het bestemmingsplan ‘Gemeentehuis Provincialeweg 5a, Bergambacht’ dat de gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt aan de Provincialeweg in Bergambacht de bouw van een nieuw gemeentehuis voor de gemeente Krimpenerwaard mogelijk met bijbehorende parkeergelegenheid. De locatie ligt op ongeveer driehonderd meter afstand van het centrum van Bergambacht aan de rotonde van de provinciale wegen N210, N207 en N748. De gemeente heeft gekozen voor deze locatie vanwege de centrale ligging langs hoofdwegen. Een inwoonster van Bergambacht is het niet eens met het bestemmingsplan en is daartegen in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij vindt de gekozen locatie niet geschikt voor een gemeentehuis met zo’n omvang. Het gebouw voor ongeveer 550 medewerkers komt tussen de Provincialeweg N210 en een natuurgebied en dat is volgens haar een locatie die is bedoeld als buffer voor het natuurgebied. Zij vindt de nieuwbouw bovendien niet nodig, omdat de huidige gemeentekantoren voldoen en voldoende ruimte bieden, omdat veel mensen tegenwoordig thuiswerken. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 12 januari 2026 op zitting behandeld.