Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202204900/1/R4

Uitspraak 202204900/1/R4

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3186
Datum uitspraak
3 juni 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 19 april 2022 heeft de raad van de gemeente Aalten het bestemmingsplan "Kern Aalten, uitbreiding bedrijventerrein 't Broek 2022" vastgesteld. De gecoördineerde besluiten voorzien in een aantal ontwikkelingen, waaronder het slopen van 2 woningen en het kappen van een aantal bomen. Het beroep van SNMA is gericht tegen het plan dat de bouw mogelijk maakt van een opslaghal voor ISG Lettink aan de Dinxperlosestraatweg 70 in Aalten en een opslag- en expeditiehal voor Kaemingk aan de Vierde Broekdijk 51 in Aalten en tegen de verleende omgevingsvergunning aan Kaemingk. SNMA betoogt dat een maximale bouwhoogte van 16,5 m die het plan mogelijk maakt voor de bedrijfshal van Kaemingk uit ruimtelijk oogpunt niet aanvaardbaar is. Een dergelijke bouwhoogte is een te grote aantasting van het landschap, ondanks de voorziene landschappelijke inpassing. Ook is volgens SNMA de toegestane bouwhoogte veel groter dan de hoogte van de andere gebouwen op het bestaande industrieterrein.
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Gelderland

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202204900/1/R4.
Datum uitspraak: 3 juni 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Stichting Natuur en Milieu Aalten (SNMA), gevestigd in Aalten,
appellante,

en

1.       de raad van de gemeente Aalten,
2.       het college van burgemeester en wethouders van Aalten,
verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Kern Aalten, uitbreiding bedrijventerrein 't Broek 2022" vastgesteld.

Bij besluit van 6 juli 2022 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan Kaemingk B.V. voor de nieuwbouw van een logistiek centrum aan de Vierde Broekdijk 51 in Aalten.

Deze twee besluiten - en een aantal andere besluiten - zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Tegen deze twee besluiten heeft SNMA beroep ingesteld.

Kaemingk heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (namens deze: de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De raad, SNMA, ISG Lettink B.V. en Kaemingk hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 maart 2026, waar SNMA, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad en het college, vertegenwoordigd door T.M.M. Kok en G.H. Scheffer, zijn verschenen.

Voorts is op de zitting Kaemingk, vertegenwoordigd door mr. P.J. van der Woerd, advocaat in Amsterdam, vergezeld door [gemachtigde B] en [gemachtigde C], gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden.

Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Het ontwerpplan is op 29 november 2021 ter inzage gelegd. De aanvraag voor de omgevingsvergunning van Kaemingk is ingediend op 13 oktober 2021. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wro, Wabo en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Inleiding

3.       De gecoördineerde besluiten voorzien in een aantal ontwikkelingen, waaronder het slopen van 2 woningen en het kappen van een aantal bomen. Het beroep van SNMA is gericht tegen het plan dat de bouw mogelijk maakt van een opslaghal voor ISG Lettink aan de Dinxperlosestraatweg 70 in Aalten en een opslag- en expeditiehal voor Kaemingk aan de Vierde Broekdijk 51 in Aalten en tegen de verleende omgevingsvergunning aan Kaemingk.

Bouwhoogte

4.       SNMA betoogt dat een maximale bouwhoogte van 16,5 m die het plan mogelijk maakt voor de bedrijfshal van Kaemingk uit ruimtelijk oogpunt niet aanvaardbaar is. Een dergelijke bouwhoogte is een te grote aantasting van het landschap, ondanks de voorziene landschappelijke inpassing. Ook is volgens SNMA de toegestane bouwhoogte veel groter dan de hoogte van de andere gebouwen op het bestaande industrieterrein.

4.1.    In het plan is door middel van de bestemming "Groen" het mogelijk gemaakt om nieuwe bedrijfshal landschappelijk in te passen, waarvoor in artikel 3.3.8 van de planregels ook een voorwaardelijke verplichting is opgenomen die ertoe strekt dat het in bijlage 2 bij de regels opgenomen beplantingsplan moet worden uitgevoerd. Het enkele feit dat er een gebouw van 16,5 m wordt gerealiseerd, betekent niet dat dit uit landschappelijk oogpunt onaanvaardbaar is. Voor zover SNMA betoogt dat het toekomstige gebouw van Kaemingk ondanks de landschappelijke inpassing zichtbaar zal zijn, constateert de Afdeling dat nergens uit blijkt dat de landschappelijke inpassing gericht is op het volledig afschermen van het gebouw. Blijkens de plantoelichting gaat het om het beperken van de landschappelijke effecten van de nieuwe bebouwing. Nu SNMA niet nader heeft onderbouwd waarom de landschappelijke inpassing niet afdoende is, ziet de Afdeling geen aanleiding om het plan op dit punt gebrekkig te achten.

4.2.    Zoals ook tijdens de zitting namens de raad is toegelicht, is in het plan voor de maximale bouwhoogte voor het perceel van Kaemingk aangesloten bij de bouwhoogte zoals die voor het bestaande bedrijventerrein geldt. Daarvoor geldt een maximale bouwhoogte van 15 m waarbij een afwijkingsbevoegdheid van 10% geldt, wat resulteert in een maximale bouwhoogte van 16,5 m. De Afdeling volgt SNMA daarom niet in het betoog dat de bedrijfshal van Kaemingk wat betreft de maximale bouwhoogte dusdanig afwijkt van de rest van het bedrijventerrein, dat de raad redelijkerwijs het plan niet op deze wijze heeft kunnen vaststellen.

Voor zover SNMA verwijst naar het voorheen geldende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Het Broek, uitbreiding Cattier" uit 2011, waarin voor deze locatie onder andere was voorzien in kleinschalige bedrijfsunits met een maximale bouwhoogte van 10 m, overweegt de Afdeling dat aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Dat het voorgaande plan - dat nooit is gerealiseerd - in een lagere bouwhoogte voorzag, betekent dan ook niet dat de raad in het voorliggende plan niet voor een andere, grotere bouwhoogte heeft kunnen kiezen. Dit betoog slaagt niet.

Stikstof

5.       Voor het plan zijn AERIUS-berekeningen gemaakt, die als bijlagen 15 en 16 bij de plantoelichting zijn gevoegd. Deze oorspronkelijke AERIUS-berekeningen dateren van februari 2022. De raad heeft in december 2025 voor het plan geactualiseerde AERIUS-berekeningen laten maken, omdat vanwege de lange duur van de procedure de juridische kaders zijn veranderd en daardoor ook de verwachte bouwperiode is veranderd. Ook zijn de verkeersgegevens van ISG Lettink aangepast op basis van nieuwe inzichten.

Bestaand bedrijventerrein

6.       Voor zover SNMA betoogt dat voor het bestemmingsplan "Kern Aalten 2011" - waar het bestaande bedrijventerrein onderdeel van uitmaakt - nooit een passende beoordeling is gemaakt, overweegt de Afdeling dat dit onherroepelijke plan uit 2011 niet ter beoordeling voorligt. Reeds hierom kan dit betoog niet slagen.

Verkeer

7.       SNMA betoogt dat het verkeer van en naar de nieuwe bedrijfshallen van Kaemingk en ISG Lettink een zodanig groot aandeel heeft in het verkeer op de omliggende wegen, dat de raad bij de AERIUS-berekeningen niet ervan had mogen uitgaan dat het verkeer van en naar deze twee bedrijven vanaf de doorgaande wegen - de provinciale wegen N313 en N318 - opgaat in het heersende verkeersbeeld.

7.1.    Bij de oorspronkelijke en geactualiseerde AERIUS-berekeningen voor het plan is gebruik gemaakt van de ‘Instructie gegevensinvoer door AERIUS Calculator’. In die instructie is over de berekening van de verkeersaantrekkende werking vermeld dat verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld op het moment dat het extra verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige bestaande verkeer dat zich op de weg bevindt. Hierbij weegt mee hoe de verhouding is tussen de hoeveelheid verkeer dat door de voorgenomen ontwikkeling wordt aangetrokken en het reeds op de weg aanwezige verkeer. In de regel wordt het verkeer meegenomen tot het zich verdund heeft tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer.

SNMA wijst op verkeerstellingen uit 2021 waaruit blijkt dat op de N313 ongeveer 7.870 voertuigen per dag rijden en dat daarvan 1.360 vrachtwagens zijn. In de AERIUS-berekeningen is uitgegaan van 6.800 voertuigen per dag op de N313 en 9.000 voertuigen per dag op de N318. Voor de verkeerstoename die het gevolg is van dit plan is in de oorspronkelijke AERIUS-berekeningen uitgegaan van 326 voertuigen per dag, waarvan 163 vrachtwagens. Bij de geactualiseerde AERIUS-berekeningen is voor ISG Lettink niet langer uitgegaan van kengetallen, maar van daadwerkelijke verkeersbewegingen. Hierdoor is uitgegaan van een hoger totaal aantal voertuigbewegingen, maar een kleiner aantal vrachtwagens. Dit resulteert in een verkeerstoename door het plan van 282 voertuigen per dag, waarvan 136 vrachtwagens.

De Afdeling constateert dat van welke getallen ook wordt uitgegaan, de verkeerstoename door het plan slechts enkele procenten van het totale aantal verkeersbewegingen op de N313 en N318 zal bedragen. Daarbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat een aanzienlijk deel van de extra verkeersbewegingen van Kaemingk transportbewegingen betreft tussen haar bedrijfspanden die zich op diverse locaties op het bedrijventerrein bevinden en dus het percentage vrachtwagens dat over de N313 en N318 zal rijden in werkelijkheid nog lager ligt. Gelet hierop stelt de raad zich terecht op het standpunt dat de extra verkeersbewegingen door het plan bij de N313 en N318 zijn opgegaan in het heersende verkeersbeeld. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het verkeer in de gebruiksfase over langere wegvakken had moeten worden meegenomen in de oorspronkelijke en geactualiseerde AERIUS-berekeningen. Dit betoog slaagt niet.

Cumulatie

8.       SNMA betoogt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de cumulatie van stikstof. Hierbij wijst SNMA erop dat in Aalten de afgelopen jaren meerdere bestemmingsplannen zijn vastgesteld en omgevingsvergunningen zijn verleend, waarbij de AERIUS-berekening als uitkomst 0,00 mol/ha/jaar had. Omdat hierbij sprake is van een rekenkundige afronding is de emissie feitelijk meer dan nul en vindt dus cumulatie plaats.

8.1.    Het plan leidt blijkens zowel de oorspronkelijke als de geactualiseerde AERIUS-berekeningen niet tot negatieve effecten op de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden "Bekendelle" en "Korenburgerveen", die op ongeveer 9 km afstand liggen. De Afdeling volgt SNMA niet in haar standpunt dat bij het plan ten onrechte geen rekening is gehouden met cumulatie. In de uitspraak van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193, heeft de Afdeling in overweging 27 haar vaste jurisprudentie over de cumulatietoets herhaald. Zoals is overwogen door de Afdeling in onder meer haar uitspraken van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1573 (r.o. 11.2) en 21 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1586 (r.o. 24.8) hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar cumulatieve effecten van andere activiteiten wanneer uit de voortoets of passende beoordeling volgt dat het bestemmingsplan niet leidt tot effecten op de betrokken Natura 2000-gebieden. Dit betoog slaagt niet.

Bestaande activiteiten

9.       SNMA voert aan dat voor zowel Kaemingk als ISG Lettink ten onrechte de bestaande bedrijfsvoering niet is meegenomen in de AERIUS-berekening. Voor beide bedrijven geldt dat de nieuwe bedrijfshallen die het plan mogelijk maakt een onlosmakelijk onderdeel zijn van de bestaande bedrijven.

9.1.    In de geactualiseerde AERIUS-berekening is voor ISG Lettink het bestaande hoofdgebouw in het plangebied - waar de nieuwe bedrijfshal aan vast zal worden gebouwd - alsnog betrokken in de AERIUS-berekening als onderdeel van de ontwikkeling waarin het plan voorziet. Voor Kaemingk blijft de raad bij het standpunt dat de andere bedrijfsgebouwen elders op het bedrijventerrein niet in de AERIUS-berekening hoeven te worden meegenomen. De Afdeling leidt hieruit af de raad zich op standpunt stelt dat de oorspronkelijke AERIUS-berekening wat betreft de gevolgen van het plan voor het perceel van ISG Lettink gebrekkig was en het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Reeds hierom slaagt dit betoog.

9.2.    Wat betreft Kaemingk volgt de Afdeling SNMA niet in haar betoog dat de gevolgen van de ontwikkelingen die het plan toestaat onjuist zouden zijn bepaald. Anders dan SNMA betoogt hoeven niet alle bestaande bedrijfsgebouwen van Kaemingk te worden betrokken in de stikstofberekening van het voorliggende plan. Uit artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming (Wnb), gelezen in samenhang met artikel 2.7 van de Wnb, volgt dat de raad moet onderzoeken of de ruimtelijke ontwikkeling waarin een bestemmingsplan voorziet, op zichzelf, of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

Kaemingk heeft weliswaar meerdere bedrijfsgebouwen op diverse locaties op bedrijventerrein ’t Broek, maar afgezien van de nieuwe bedrijfshal liggen die allemaal buiten de begrenzing van het plangebied. Daarmee zijn de eventuele negatieve effecten van die bestaande gebouwen niet aan te merken als gevolgen van ontwikkelingen waarin het voorliggende plan voorziet. Door SNMA is ook niet gesteld dat de bouw en ingebruikname van de nieuwe bedrijfshal in het plangebied van invloed is op het bestaande gebruik van die andere bedrijfsgebouwen. Dit betoog slaagt niet.

Verzoek om schadevergoeding

10.     Kaemingk heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

10.1.  De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling.

De Afdeling heeft het beroepschrift van SNMA ontvangen op 16 augustus 2022. De redelijke termijn is in deze procedure dus met 22 maanden overschreden. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 2.000,00.

Conclusie en proceskosten

11.     Het beroep van SNMA tegen de door het college verleende vergunning aan Kaemingk is ongegrond.

Het beroep van SNMA tegen het besluit van de raad tot vaststelling van het plan is gelet op hetgeen onder 9.1 is overwogen, gegrond. Dit besluit, voor zover dat gaat om het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" dat ziet op het perceel van ISG Lettink aan de Dinxperlosestraatweg 70 in Aalten, is genomen in strijd met artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit besluit moet in zoverre worden vernietigd.

11.1.  De Afdeling ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dat is vernietigd, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten.

Hiertoe wordt overwogen dat in de geactualiseerde AERIUS-berekening wat betreft het plandeel dat ziet op het bestaande hoofdgebouw van ISG Lettink onder meer rekening gehouden met het gasverbruik voor de verwarming van het pand. Daarmee is het eerder geconstateerde gebrek hersteld. SNMA heeft niets naar voren gebracht waarom de uitgangspunten voor de berekening van gevolgen van de ontwikkeling waarin het plan voorziet waarvan is uitgegaan in de geactualiseerde AERIUS-berekening niet zouden kloppen.

12.     De raad moet de proceskosten van SNMA vergoeden.

13.     De Staat moet de proceskosten van Kaemingk vergoeden die zij heeft gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding. De Afdeling rekent daarvoor 1 punt met een wegingsfactor van 0,5.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Aalten van 6 juli 2022 tot verlening van een omgevingsvergunning aan Kaemingk B.V. voor de nieuwbouw van een logistiek centrum aan de Vierde Broekdijk 51 in Aalten ongegrond;

II.       verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Aalten van 19 april 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kern Aalten, uitbreiding bedrijventerrein 't Broek 2022" gegrond;

III.      vernietigt het hiervoor onder II. genoemde besluit, voor zover dat betrekking heeft op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" dat ziet op het perceel van ISG Lettink B.V. aan de Dinxperlosestraatweg 70 in Aalten;

IV.      bepaalt dat de rechtsgevolgen van het onder II. genoemde besluit in stand blijven, voor zover dat is vernietigd;

V.       veroordeelt de raad van de gemeente Aalten tot vergoeding van bij Stichting Natuur en Milieu Aalten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 69,77;

VI.      gelast dat de raad van de gemeente Aalten aan Stichting Natuur en Milieu Aalten het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 365,00 vergoedt;

VII.     wijst het verzoek van Kaemingk B.V. om schadevergoeding toe;

VIII.    veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan Kaemingk B.V. een schadevergoeding van € 2.000,00 te betalen;

IX.      veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij Kaemingk B.V. in verband met de behandeling van het verzoek tot schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, griffier.

w.g. Besselink
voorzitter

w.g. Vreugdenhil
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026

571


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon