Uitspraak BRS.26.002276
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2654
- Datum uitspraak
- 7 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij brief van 10 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoekers in kennis gesteld van zijn besluit om de overdrachtstermijn met achttien maanden te verlengen.
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.002276
ECLI:NL:RVS:2026:2654
Datum uitspraak: 7 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker1], [verzoeker 2], mede voor hun minderjarige kinderen
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 18 november 2025 in zaak nr. NL25.26661 in het geding tussen:
[verzoekers]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij brief van 10 juni 2025 heeft de minister verzoekers in kennis gesteld van zijn besluit om de overdrachtstermijn met achttien maanden te verlengen.
Bij uitspraak van 18 november 2025 heeft de rechtbank het door verzoekers tegen het verlengingsbesluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben verzoekers, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, hoger beroep ingesteld.
Verzoekers hebben krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bij de minister bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen overdracht en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen. De griffier van de rechtbank heeft de verzoeken op 7 mei 2026 ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden.
Overwegingen
1. Verzoekers hebben hun bezwaar gemaakt en de verzoeken ingediend tijdens de procedure bij de Afdeling over hun hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 november 2025. De voorzieningenrechter van de Afdeling ziet aanleiding om het bezwaar en de verzoeken aan zich te trekken en te behandelen, om te voorkomen dat meerdere instanties tegelijkertijd een oordeel geven over de voorgenomen overdracht van verzoekers aan Kroatië. Uit de uitspraken van de Afdeling van 21 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788, onder 2.1 en, 15 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:353, onder 1.1, volgt dat de Afdeling, in een geval als dat van verzoekers, bevoegd is om de bij de rechtbank ingediende verzoeken in behandeling te nemen. Verder volgt uit die uitspraken dat verzoekers tijdens het lopende hoger beroep geen mogelijkheid hebben om bezwaar te maken tegen een feitelijke overdracht. De Afdeling merkt het door verzoekers bij de minister gemaakte bezwaar daarom aan als een aanvulling op de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening.
2. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat de voorgenomen overdracht aan Kroatië op 8 mei 2026 achterwege blijft.
3. Het hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Gelet daarop en gelet op de belangen die verzoekers naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
4. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekers niet worden overgedragen, totdat op het door hen ingestelde hoger beroep is beslist;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
voorzieningenrechter
w.g. Jongeneel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026
958