Uitspraak BRS.26.001108
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2618
- Datum uitspraak
- 8 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 16 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.001108
ECLI:NL:RVS:2026:2618
Datum uitspraak: 8 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 9 maart 2026 in zaak nr. NL26.9472 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 16 februari 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 9 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.W. Koevoets, advocaat in Sluis, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant verwijst in zijn eerste grief naar het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647, en betoogt dat de rechtbank ten onrechte het verbod van non-refoulement in zijn zaak niet heeft getoetst. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in de uitspraak van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329, onder 8, vloeit uit het arrest Adrar voort dat de bewaringsrechter naar nationaal recht binnen het kader van het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ambtshalve moet toetsen of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzet. Omdat appellant op grond van artikel 59b van de Vw 2000 in bewaring is gesteld, is de bewaringsrechter in deze procedure niet gehouden te toetsen of het beginsel van non-refoulement zich tegen uitzetting verzet. De grondslag van de bewaring hangt immers samen met een nog lopende asielaanvraag. Zie hierover de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1813, onder 4. Daarom hoeft niet te worden beoordeeld of zicht op uitzetting bestaat, noch of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzet. Dat de rechtbank dit niet uitdrukkelijk in haar uitspraak heeft overwogen, maakt die uitspraak niet onjuist en leidt niet tot vernietiging daarvan. De eerste grief faalt.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat de in de eerste grief opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. Het hoger beroep leidt voor het overige ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen andere vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punten 24 en 31).
3. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026
18-1102