Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202401094/2/A2

Uitspraak 202401094/2/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:5480
Datum uitspraak
26 november 2024
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 16 juni 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag [appellant] een last onder dwangsom opgelegd voor het onzelfstandig laten bewonen door meer dan twee personen van een zelfstandige woning, te weten de woning [locatie] in Den Haag.
  • Hoger beroep
  • Vereenvoudigde behandeling
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202401094/2/A2.
Datum uitspraak: 26 november 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Den Haag,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 december 2023, in zaak nr. 23/2034, in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2022 heeft het college [appellant] een last onder dwangsom opgelegd voor het onzelfstandig laten bewonen door meer dan twee personen van een zelfstandige woning, te weten de woning [locatie] in Den Haag.

Bij besluit van 1 februari 2023 heeft het college het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 december 2023 heeft de rechtbank het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard.

[appellant] heeft vervolgens hoger beroep ingesteld bij de Afdeling.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.       De bepalingen van de Awb die in deze zaak van toepassing zijn, luiden:

Artikel 8:75a, eerste lid: "In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard."

Artikel 8:108, eerste lid: "Voor zover in deze titel niet anders is bepaald, zijn op het hoger beroep de titels 8.1 tot en met 8.3 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8.1 tot met 8:10, 8:41, tweede lid en 8:74."

Verzoek om proceskostenveroordeling

2.       Na het instellen van hoger beroep heeft [appellant] bij brief van 27 mei 2024 aangegeven dat een mondelinge behandeling van de zaak niet meer noodzakelijk is. Wel heeft [appellant] de Afdeling verzocht uitspraak te doen over de vergoeding van de proceskosten die hij in de (voor)procedure heeft gemaakt en het college daarin te veroordelen. [appellant] heeft vervolgens bij brief van 5 augustus 2024 aangegeven ook vergoeding van de geleden schade in verband met de procedures vergoed te willen krijgen, bestaande uit huurderving.

3.       Het college stelt zich op het standpunt dat er geen sprake meer is van een inhoudelijk geschil. Het verzoek om proceskostenveroordeling moet volgens het college worden afgewezen, omdat [appellant] na de zitting bij de rechtbank in de gelegenheid is gesteld om informatie aan te voeren waaruit zou blijken dat er drie personen ingeschreven stonden op de [locatie] en dat die personen daar woonachtig waren als huurders, waardoor een omzettingsvergunning niet noodzakelijk zou zijn geweest. Omdat [appellant] de volgens het college de benodigde stukken pas na het instellen van het hoger beroep heeft overgelegd en het college [appellant] er daarvoor al op had gewezen dat er aanvullende gegevens nodig waren en welke gegevens dat waren, is er volgens het college geen reden om te worden veroordeeld in de proceskosten.

Verzoek om vergoeding van huurderving

4.       Voordat de Afdeling overgaat op de beoordeling van het hoger beroep merkt zij op dat [appellant] heeft verzocht om vergoeding van de huurderving. De Afdeling merkt dit verzoek aan als een schadeverzoek in de zin van artikel 8:88 van de Awb. De Afdeling zal dit verzoek afzonderlijk behandelen en daarover afzonderlijk uitspraak doen. De Afdeling heeft het verzoek geregistreerd onder zaak nr. 202406135/1/A2.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

5.       Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1563) is de bestuursrechter slechts gehouden tot inhoudelijke beoordeling van een bij hem ingediend (hoger) beroep tegen een besluit van een bestuursorgaan indien de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft. Indien dat belang is vervallen, is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend wegens de principiële betekenis daarvan. De Afdeling moet dus bepalen of [appellant] procesbelang heeft bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak en daarbij beoordelen of hij het doel dat hem voor ogen staat met het instellen van hoger beroep daadwerkelijk met de uitkomst van de hogerberoepsprocedure kan bereiken en of die uitkomst voor hem ook feitelijk van betekenis is. Als procesbelang ontbreekt, moet het hoger beroep niet‑ontvankelijk worden verklaard.

5.1.    Met de reactie van het college van 13 mei 2024 heeft [appellant] bereikt wat hij heeft willen bereiken met het hoger beroep. De inzet van het hoger beroep was namelijk dat het college van hem geen omzettingsvergunning zou vereisen voor de woning aan de [locatie] in Den Haag. Dat heeft hij inmiddels bereikt. Gelet daarop heeft [appellant] geen procesbelang meer bij zijn hoger beroep. De Afdeling zal daarom dit hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.

In het vervolg daarvan moet worden gekeken of in de omstandigheden van het geval grond is gelegen over te gaan tot een proceskostenveroordeling.

Beoordeling van het verzoek om proceskostenveroordeling

6.       Of de proceskosten die [appellant] heeft gemaakt in verband met de behandeling van zijn hoger beroep voor vergoeding in aanmerking komen, zal de Afdeling zelfstandig beoordelen. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1423) dat een dergelijke grond gelegen kan zijn in de omstandigheid dat het desbetreffende bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen. Als zich een dergelijke grond voordoet, is op grond van artikel 8:75 van de Awb een proceskostenveroordeling mogelijk. Van tegemoetkomen is sprake indien het bestuursorgaan het door de indiener van het (hoger)beroepschrift gewenste besluit geheel of gedeeltelijk neemt, tenzij dit besluit kennelijk is genomen op andere gronden dan de indiener van het (hoger)beroepschrift heeft aangevoerd (vergelijk artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb).

6.1.    De Afdeling is met het college van oordeel dat in het geval van [appellant] geen sprake is geweest van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb. [appellant] heeft op de zitting bij de rechtbank aangegeven te beschikken over stukken waaruit blijkt dat het pand wordt verhuurd en geen omzettingsvergunning vereist is. Het college heeft zich vervolgens bereid gevonden om die stukken te boordelen. De stukken zijn door [appellant] na de uitspraak van de rechtbank overgelegd aan het college. Het college heeft de stukken beoordeeld en heeft vervolgens op 28 september 2023 aan [appellant] te kennen gegeven dat de stukken onvoldoende zijn om te oordelen dat een omzettingsvergunning niet noodzakelijk is. Welke stukken het college voldoende zou achten heeft het college ook aangegeven. [appellant] heeft, na het instellen van het hoger beroep, stukken overgelegd die het college vervolgens als voldoende heeft beoordeeld om een omzettingsvergunning achterwege te kunnen laten.

Zoals uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1462, is geen sprake van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb indien het nieuwe besluit is gebaseerd op de door betrokkene ná het oorspronkelijke besluit verstrekte informatie die een ander licht op de zaak werpt. De Afdeling is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de informatie die [appellant] heeft verstrekt aan het college na de uitspraak van de rechtbank als dergelijke informatie dient te worden aangemerkt. Van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb is daarom geen sprake en daarmee bestaat er ook geen aanleiding voor toekenning van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

7.       Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Het verzoek om veroordeling in de proceskosten moet als kennelijk ongegrond worden afgewezen.

8.       Het college hoeft de proceskosten niet te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II.       wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier.

w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Klingers
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2024

341-1089


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon