Uitspraak BRS.26.001520 en BRS.26.001524
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2491
- Datum uitspraak
- 4 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 6 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.001520 en BRS.26.001524
ECLI:NL:RVS:2026:2491
Datum uitspraak: 4 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant 1], [appellant 2], [appellant 3] en [appellant 4],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 4 maart 2026 in zaken nrs. NL25.4854, NL25.4855, NL25.4856 en NL25.4857 in het geding tussen:
[appellant 1], [appellant 2], [appellant 3] en [appellant 4]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 6 januari 2025 heeft de minister aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 4 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. T. der Bedrosian, advocaat in Enschede, hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De minister heeft de Afdeling laten weten dat appellanten met onbekende bestemming zijn vertrokken. De gemachtigde van appellanten heeft, hoewel de Afdeling hem daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, niet laten weten dat hij nog contact met hen heeft. Daaruit leidt de voorzieningenrechter af dat appellanten niet langer bescherming in Nederland zoeken. Daarom hebben appellanten geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
voorzieningenrechter
griffier
Uitgesproken in het openbaar op
392