Uitspraak BRS.26.001049
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2458
- Datum uitspraak
- 1 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 7 februari 2024, vervangen door het besluit van 31 juli 2025, heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.001049
ECLI:NL:RVS:2026:2458
Datum uitspraak: 1 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 februari 2026 in zaak nr. NL24.7613 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 februari 2024, vervangen door het besluit van 31 juli 2025, heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.
Bij uitspraak van 5 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.W.J.L. Loonen, advocaat in Sittard, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtsvraag over de gevolgen van verschillende taalversies van een bepaling van Unierecht heeft het Hof van Justitie al beantwoord in bijvoorbeeld het arrest van 12 november 1998, Institute of the Motor Industry, ECLI:EU:C:1998:536, punt 16.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Wat appellant verder in zijn hogerberoepschrift heeft aangevoerd leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift verder geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026
985