Uitspraak BRS.26.000988
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2472
- Datum uitspraak
- 1 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 26 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.000988
ECLI:NL:RVS:2026:2472
Datum uitspraak: 1 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 februari 2026 in zaak nr. NL25.36181 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 26 maart 2025 heeft de minister een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 9 juli 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E.R. Weegenaar, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Appellant is in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten.
Overwegingen
1. De griffier heeft appellant er bij brief op gewezen dat hij voor het hoger beroep griffierecht moet betalen. Hem is daarbij verzocht om het griffierecht uiterlijk op 16 maart 2026 te voldoen. Omdat appellant dit niet heeft gedaan, heeft de griffier hem bij brief van 19 maart 2026, op deze dag aan appellant bekendgemaakt in het Digitaal Portaal, laten weten dat het griffierecht uiterlijk op 2 april 2026 op de rekening van de Raad van State moet zijn bijgeschreven of contant moet zijn betaald. In die brief staat ook dat, als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het hoger beroep alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald. Appellant heeft, nadat de griffier hem daartoe bij brief van 7 april 2026 in de gelegenheid heeft gesteld, geen redenen aangevoerd waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026
392